VADER
1.
Doodgaan doe je niet een beetje,
dat bleek maar weer.
Dat doe je dus definitief.
Want ik weet niet wie mijn vader was,
maar degene die daar lag
die was het zeker niet.
Van de ene op de andere dag
stond ik voor een leeg gebouw
waarin gisteren nog, even
drukbezocht als een museum,
het leven van mijn vader zat.
2.
En ineens is álles definitief.
Het scheerschuim dat ik kocht
om wat meer zijn zoon te zijn
is nu míjn scheerschuim.
Alles wat ik van hem ken;
zijn polsen en hoe het haar vastberaden
doorgroeide naar zijn handen,
hoe hij liep en hoe hij lag in bed –
zit nu in mij.
Ik voel me breekbaar.
Alsof hij achter glas
in mij is weggezet.
3.
Maar tegelijkertijd is daar
de vervulling van een eeuwenoud
verlangen: ik ben eindelijk zijn kind.
Ik ben mijn eigen vader
en scheer mijn vaders wangen.