SAMOTHRAKI
Nou goed, het was ook wel heel
romantisch. (Hadden we ’s middags de dolfijnen
niet zien gaan?) Het enige strand
van een eenzaam eiland onder de maan,
lang verstoken van regen en van goden.
De zee, die oplichtte waar wij zwommen,
de avond overal rondom, die hier
niet zwart was maar van het donkerste
donkerblauw. Allemaal voor jou,
godin van mijn verlies.
Met je lichte ogen in je bruinverbrand
gezicht en de druppels Middellandse Zee
nog in je haar en in je hals.
Ze maakten natte plekken
op de donkerblauwe jurk
waar je zonder omhaal zonder onderbroek
was ingestapt. ‘Het is niet veel,’ zei je
‘Waterlooplein.’ Maar die zijn geluk vond
om jouw dijen.
Ik moest wel met je vrijen,
zo helemaal voor mij
was jij.
En we vreeën,
omdat dat was wat wij tweeën
deden, zoals de uitbater ter plaatse
de glazen wijn bleef vullen
en de nachtvissers met hun lampen
de vissen naar zich trokken
en de geiten gingen liggen
in de droge doornstruiken,
zo vreeën wij.
Tot ik niets meer zag
dan donkerblauw en donkerblauw
en donkerblauw van jouw
opgestroopte jurk en de zee
en van de nachtlucht eromheen.
Tot ik niets meer wist
dan dat ik van jou was,
jij van mij
en allebei.