GELOOF, HOOP (EN LIEFDE)
Trainingsweek Mazan 2010

Zoals Bert Wagendorp schrijft in het laatste nummer van De Muur: wielrennen is een sport die bol staat van het drama. Niets dan geloof, hoop en liefde. Zelfs tijdens een trainingskamp met Veltec Team Granfondo in het zuiden van Frankrijk zijn de deze ingrediënten in ruime mate aanwezig.

1. Geloof
Het geloof in eigen kunnen. Vast onderdeel van vorm. Noodzakelijke eigenschap om een complete renner te worden. Goede klimmers die niet goed kunnen dalen verliezen bergaf meer dan ze bergop ooit kunnen winnen. En wat maakt een goede daler? Het geloof dat hij goed kan dalen. Het geloof dat zijn materiaal in orde is, het geloof dat hij de bocht juist inschat, het geloof dat hij – mocht er toch een tegenligger aankomen – op tijd terug is op zijn eigen weghelft.

In de afdaling van de Gorge de la Nesque, ten zuiden van de Mont Ventoux, raakten we op woensdag rasklimmer Sander S. kwijt. (Rasdaler Charles L.: "Afdaling? Dit is toch helemaal geen afdaling?") Ik wachtte Sander op, hij was na vier uur training feitelijk frisser dan ik en nam resoluut het initiatief om ons terug naar de groep te rijden, maar in de eerste de beste bocht raakte ik hem opnieuw kwijt. Het was een bocht waar je met gemak doorheen kon trappen en toch kneep hij bij voorbaat in zijn remmen. Waarom?

Het onderwerp leende zich voor lange avondlijke discussies. Hoe leer je iemand dalen? Achter een betere daler aan? Achterop de motor? Op een tandem? Hoe doorbreek je het mechanisme bocht=remmen? Het antwoord:geloven dat je niet hóéft te remmen. En als dat wel zo is: geloven dat het ook dan wel goed komt. Maar hoe leer je iemand geloven? Coach Jan W.: "Als je dat in een boek kunt uitleggen ben je binnen." Il Falcone schrijft de nieuwe wielerbijbel.

Het wielrennen als religie. Alleen de uiteenlopende spijswetten bieden al genoeg voedingsbodem voor een heilige oorlog. Wel of geen kaas. Wel of geen vlees. Wel of geen yoghurt. Wel of geen bier. Met radicale afsplitsingen als sojamelk-shakes, speciaal ingevlogen ontbijtflakes, bammetjes, Duvel, zoute drop.

Nog een laatste voorbeeld? Krachtpatser Dirk J. reed de hele week alles en iedereen aan bonken, liefst op de twaalf. De man is in blinkende vorm, maar twijfelt desalniettemin over zijn kansen om dit seizoen een koers te winnen. Bij de A's wel te verstaan. Wat kan je zo iemand nog zeggen?

Geloof Dirk, geloof!

2. Hoop
Redmiddel voor de renner uit vorm. In casu: schrijver dezes. Ploeggenoten hebben ondanks sneeuwval een uitstekende winter achter de rug en flitsen je links en rechts voorbij. Dus klamp je je vast aan de hoop. Hoop dat het geloof in eigen kunnen over enkele maanden niet ongegrond zal blijken. Hoop dat het nog wel komt, dat je alleen wat meer tijd nodig hebt. Dat het na de rustdag beter zal gaan.

Donderdag zou onze rustdag worden, maar het weer bepaalde anders. Wegens voorspelde regen werd de traditionele beklimming van de Mont Ventoux (Bédoinzijde tot Chalet Renard) op vrijdag een dag vervroegd. Dat betekende dat er na de zwaar uitgevallen duurtraining van woensdag (tegenwind uit alle hoeken) zonder noemenswaardige rust een klein uur geknald moest worden tegen de steile flanken van het Kale Monster.

Moed zonk in schoenen en zelfs het laatste beetje hoop vervloog. De benen van goed getrainde ploeggenoten zouden tijdig zijn hersteld van de eerdere inspanningen, maar de mijne? Ik nam mezelf voor om bij het eerste spoor van tegenslag alle prestatiedwang opzij te zetten en rustig naar boven te peddelen. Gewoon als training, en niet als ijkpunt voor de rest van het cycloseizoen.

Maar wat gebeurt er? Het startschot heeft nog niet geklonken of Frederic demarreert om ook de eerste minder steile kilometers vol aan te vallen. En ik, al mijn overwegingen en gedachten ten spijt, rijd er vol achteraan. Instinct neemt over. Tot Saint Estève blijf ik bij de sterke mannen, daarna moet ik mijn eigen tempo rijden. Oege en Sander rijden weg, Frederic gaat mee maar moet het vederlichte tweetal na een tijdje laten gaan. Ik houd Frederic in zicht en instinct bepaalt dat ik hem terug zal moeten halen. Want als ik eerder dan Frederic boven kom, betekent dat dat ik weer hoop mag koesteren. Instinct belooft: alles zal goedkomen als ik eerder boven kom dan Frederic.

Dus het moet, het is niet anders. Tot twee keer toe rijd ik naar het achterwiel van Frederic, maar telkens als ik daar arriveer, geeft Frederic een ferme snok op zijn pedalen en is hij weer buiten bereik. Er worden vandaag geen kadootjes uitgedeeld, zoveel is zeker. Ik dwing mezelf om 350 watt te blijven trappen, want logischerwijs zal mijn voorwiel dan opnieuw bij het achterwiel van Frederic uitkomen. Gelukkig steekt het lot een handje toe. Frederic zit wat te prutsen met zijn zonnebril (draag nooit een zonnebril in een tijdrit!), laat het ding zelfs vallen waardoor hij voet aan de grond moet zetten en op driekwart van de beklimming haal ik hem in. Er volgt geen nieuwe snok en ik concludeer dat de snokken op zijn. Met Frederic in mijn wiel rijd ik de parkeerplaats bij Chalet Renard op. Derdes. In 50 minuut nog wat, een kleine twee minuten achter Oege. Dat is langzamer dan vorig jaar, maar dat is helemaal niet erg.

Er is nog hoop.

3. Liefde
Hoewel in fysieke vorm niet welig tierend tijdens een serieus trainingskamp als dit (de lage vetpercentages en verstoorde hormoonspiegels en zullen daar zeker debet aan zijn) was de liefde wel degelijk aanwezig in Mazan. Ik noem de nieuwe Easton EC90's van Frederic; de liefde waarmee Frederic ze in zijn fiets zette, de warmte in zijn stem als hij over ze sprak en het ontzag waarmee de anderen ze benaderden. Ik verwijs naar het verfomfaaie lijstje van Oege, waarop hij zorgvuldig de Ventoux-klimtijden van alle ploeggenoten had genoteerd. Begintijd, eindtijd, totaaltijd, tussentijd in Saint Estève. Ik heb het over de lofzang van Charles op zijn nieuwe BMC Teammachine. Beter nog dan alle onbetaalbare fietsen die hij eerder heeft gehad bij elkaar. Over de liefde voor de cols van Sander, die zijn krachten bij het stijgen van de percentages nog moeilijker kan beteugelen dan Oege. De liefde voor de fiets van Els, die haar bicyclette niet laat staan voor een milde griepaanval. Over de grimmige glimlach van Edith als zij verkondigt dat ze drieëneenhalf uur in de regen rijden eigenlijk wel lekker vindt. En natuurlijk over de liefde die het allemaal mogelijk maakte: de liefde van Jan voor het team. Het team dat zijn eten at, dat zijn bier dronk, in zijn bed sliep en hem afmatte onbenullige vragen als "waar ligt mijn zonnebril?" en "krijgen we nog powerbars?". Als dat geen liefde is.