IN HET ROOD
Ronde van Limburg

Het verhaal van een nederlaag is snel verteld, zeker als er eigenlijk geen goede excuses voorhanden zijn. Dit is hoe de Ronde van Limburg 2010 voor mij verliep (voor zover ik het me kan herinneren, want meestal gaat alles in zo'n wedstrijd zo snel dat je achteraf niet veel verder komt dan een wankele reconstructie die bol staat van de aannames en veronderstellingen).

Hoewel ik in de neutralisatie goed voorin reed, werd ik in de eerste kilometers koers toch opnieuw overdonderd door de nerveuze massaliteit van het peloton, en verloor ik al gauw een plaats of veertig. Gelukkig hervond ik mijn motivatie: ik moest weer voorin zien te komen, want het ging hier niet om de een of andere stomme waaierklassieker, maar om de Ronde van Limburg, die ik vorig jaar alleen maar door een valpartij niet tot een goed einde had weten te brengen. Dat zou dit jaar wel anders zijn!

Dus ik moest naar voren, op z'n laatst voor kilometer 30, want bij kilometer 34 zouden we de eerste klim te verwerken krijgen: de Eijserbosweg. Met de handige ploeggenoten Jasper O. en Jacob W. in het vizier lukte het me om redelijk constant op de vierde à vijfde rij te blijven. Dat klinkt gemakkelijker dan het was, want geen moment mag je je focus verliezen. Je hoeft maar een keer een rotonde of een middenberm aan de verkeerde kant te passeren (omdat je op dat moment nou eenmaal aan de verkeerde kant in het peloton zit) en je kan weer helemaal opnieuw beginnen.

Omdat ik natuurlijk niet enige renner was die had bedacht dat hij voor de Eijserbosweg voorin zou  moeten zitten, schoot het peloton al op tien kilometer voor de klim van draf in volle galop, met de eerste valpartijen tot gevolg. Wie ooit de Amstel Gold Race op televisie heeft gezien weet dat je er als renner in Zuid-Limburg altijd op voorbereid moet zijn om rondvliegende collega's te ontwijken, plotseling gecatapulteerd door verkeersobstakels van divers formaat.

De Eijerbosweg was in een vloek en een zucht voorbij. Ik reed weliswaar nog net in een voorhoede van een man of vijftig, zestig, dus dat was goed, maar ik moet toegeven dat ik op de klim moeite had om het tempo bij te benen. Waar ik vorig jaar net een trapje harder reed dan veel van de renners om mij heen ging ik vandaag precies even hard. Nu ik erop terugkijk was dat eigenlijk de voorbode van mijn nederlaag. In 2009 reed ik goed voorin omdat ik op de klimmetjes steeds wat plaatsen won. Nu bleef ik op de klimmetjes hangen op dezelfde plaats, en had ik op de vlakke tussenstukken niet de energie om verder naar voren te schuiven. Nee, eerder verloor ik daar steeds een paar plaatsen, waardoor ik terugzakte naar plek zestig, zeventig.

De Koning van Hispanje bleek het begin van het einde. De klim zelf werd nog in een gemoedelijk tempo opgereden, maar nadat we bovenop rechts draaiden ging het op de kant. Tot nu toe was het verschrikkelijk warm en benauwd geweest, maar aan de horizon waren onweerswolken verschenen, en de regen in de verte stuurde alvast een harde wind vooruit. Ik moest diep in het rood om mijn plek in het lange lint van renners te behouden. Even later brak het noodweer los. Windvlagen, brekende takken, een hoosbui en rondvliegende stukken natuur (zaden, pollen, insecten?), die als hagelsteentjes in je gezicht sloegen. Met dichtgeknepen ogen dook ik een afdaling in, in de hoop weer een paar plaatsjes te winnen, want het zou voorwaar niet goed met mij aflopen als het nu weer op de kant zou gaan. Waar ik bang voor was gebeurde. Het viel geen moment meer stil. Windvlagen schuin van voren, te weinig renners in de buurt om beschutting achter te zoeken, een klein gaatje dat groter werd en een gebrek aan macht om het te dichten; ik reed al te lang in het rood. Twee mannen achter me sprongen voorbij, ik kon nog net mee, maar ook zij kregen het gaatje niet dicht. Achter me een leegte, gapend en donker.

We kwamen tussen de auto's terecht. Op zich prettig, want die boden een aanzienlijk betere beschutting dan de iele mannetjes op hun fietsjes. Ik vond nog een restje adem en reed met de twee andere mannen auto voor auto terug naar voren. Maar precies op het moment dat we de aansluiting maakten begon de volgende klim. Nu reed ik niet meer even hard als de andere renners, maar - onverbiddelijk - langzamer. Eenmaal boven was de situatie dus nauwelijks verbeterd: opnieuw dat gat tussen ons en de restanten van het peloton. Het klimmetje had wat nieuwe gelosten opgeleverd en met hen reed ik nog een poosje tussen de auto's (waarbij er af en toe een renner met een onmogelijke snelheid voorbijschoot, zonder schaamte gelanceerd door zijn ploegleidersauto – ik zal geen namen noemen, maar het was er een van Koopmans), maar met ons schoot het niet op. Er was geen samenwerking, geen energie en geen moraal.

We kwamen in de bevoorradingszone en ik zag onze verzorger Bart staan. "Goed zo, kom op!", riep hij me nog toe. Dat was wat optimistisch; ik stuurde de berm in en stapte af. Kilometer 85. De kaarten lagen al een tijdje op tafel en hun boodschap was duidelijk. Ik kon tussen de auto's blijven terugkomen, maar op elke volgende klim zou ik weer gelost worden. Herstellen was er niet meer bij.

Ik dronk een colaatje, nam twee volle bidons mee en ging met ploeggenoot Marten V., die door een valpartij al eerder uit koers was gegaan, op weg om dan in godsnaam nog maar onze vier uur vol te maken. Diep teleurgesteld, want vandaag had mijn revanche moeten worden. Uitrijden, dat was het minste wat ik had moeten doen.

In de veertig kilometer parcours die ons restten richting aankomstplaats Beek had ik alle tijd om na te denken over de mogelijke oorzaken van deze teleurstellende gang van zaken. Was het de hitte? Had ik gewoon een slechte dag? De waarden op mijn vermogensmeter waren niet op z'n hoogst, maar zeker ook niet laag. Reed ik te ver van achteren? Achter de feiten aan? Dat laatste wel een beetje, denk ik. Maar de enige échte oorzaak die ik kon bedenken is dat ik in de afgelopen maanden gewoon te weinig koershardheid heb opgedaan om een wedstrijd van dit kaliber aan te kunnen. Het duurvermogen is goed; het vermogen dat ik rond omslagpunt lever is goed (in ieder geval genoeg voor een hele fatsoenlijke tijdrit), maar wat ik mis is het vermogen om achter elkaar korte intervallen in het rood te rijden (>500 watt). En daar ook weer van te herstellen. Want dát is wat je nodig hebt om in deze koersen door te bijten tot het eind.

De renners die we in de plaatselijke omloop voorbij zagen komen (voornamelijk Piels en Van Vliet) gingen ook niet hard meer. Ze hingen scheef op hun fiets en keken dof uit hun ogen. Ze waren net zo leeg gereden als ik, maar ze waren er nog wél bij. Dat is een groter verschil dan je denkt. Het is een hardheid die je bijna niet kunt trainen, omdat je geest niet sterk genoeg is om je lichaam in een training zo veel pijn te doen. Daartoe ben je alleen in de wedstrijden zelf in staat; tot het uiterste geprikkeld.

Gelukkig komt het dit weekeinde in de Vogezen gewoon weer aan op ouderwets duurvermogen. Wellicht kan een goede uitslag in de Trois Ballons dit nieuwe dieptepunt in mijn carrière bij de Nederlandse elites doen vergeten. Ik hoop het maar.

zie hier de complete uitslag

bekijk hier meer foto's