TUSSEN DROOM EN DAAD
Criquielion 2010

Toen ik zestien was, reed ik veel op inlineskates in een halfpipe. Het ging erom zo hoog mogelijk boven de rand van de vier meter hoge baan uit te komen, en daar allerlei tricks te doen. Het gebeurde niet zelden dat ik 's avonds in bed nog lag na te ijlen over mijn dag op de baan. Eén voor één passeerden alle tricks aan mijn geestesoog; glashelder zag ik waarom bepaalde moeilijke sprongen, zoals een backflip of een five-fourty, maar niet wilden lukken. Als ik morgen weer op de baan stond, zou ik ze op die manier inzetten, de draai zo maken en hopla, soepel op beide skates landen. Prachtig zag het er allemaal uit, zo kort voor de slaap bezit van me nam.

Zestien jaar verder, en er is niet zo veel veranderd. In mijn mentale voorbereiding op de Criquielion zag ik meermaals voor me hoe ik deze keer – in tegenstelling tot de editie van 2009 en in tegenstelling tot de Trois Ballons eerder in juni – wel het wiel van het Belgische wonderkind Bart Bury zou houden. Hoe me dat tot diep in een mooie finale zou brengen en hoe me dat de zo fel begeerde podiumplaats op zou leveren. Of meer, wie weet.

Maar zoals het me vroeger 's anderdaags op de halfpipe verging, zo verging het me vandaag ook in de Ardennen. Want tussen droom en daad / staan wetten in de weg en praktische bezwaren / en ook weemoedigheid die niemand kan verklaren / en die des avonds komt wanneer men slapen gaat. Weg was de gedroomde souplesse, verdwenen de gemakkelijke bewegingen en de zachte landing. Wat in je hoofd slechts een kwestie van willen is, blijkt in de realiteit altijd weer een banale kwestie van kunnen. Of van niet-kunnen, in dit geval.

De start ging gemakkelijk, de eerste kilometers vlogen voorbij. Alle tijd om eens rustig te kijken welke cyclorijders er present waren. De grote man in het rood-wit-lichtblauw zou Diseviscourt uit Luxemburg wel zijn, Bury was er natuurlijk, Haakman reed mooi voorin, met zo'n beetje zijn complete club West-Frisia op sleeptouw, Bart Deurbroeck was ik nog niet eerder tegengekomen en ontwaarde ik pas toen het voor het eerst serieus omhoog ging, een kleine renner in Rabo-outfit bleek een renner van de MTB-opleidingsploeg te zijn ("Maar zo hard rijd ik helemaal niet, hoor; ik werk gewoon 40-uur in de week", zo trachtte hij me gerust te stellen). Ik herkende de lange jongen uit de Fietchallenge, nu in de outfit van Cycloteam.nl, ik herkende de jonge van de vroege vlucht, eveneens Fietschallenge, met die soepele tred, maar hoe heette hij ook alweer? (Anthony Spysschaert dus, ik zag het pas in de uitslag.) En dan was er nog een hele rits goed gesoigneerde renners die stuk voor stuk zomaar ineens heel goed zouden kunnen blijken te zijn zonder dat ik ooit van ze gehoord had.

Ik hield me rustig want heel veel zou er wel niet gebeuren voor de eerste doorkomst in La Roche. Of was daar misschien al de klassieke poging-tot-vroege-vlucht van Diseviscourt, Hans Nuyens en een pion van West-Frisia? Dan misschien toch maar even mee – bam bam buitenblad – blik achterom –  wordt het wat? – ach nee, daar is het hele peloton alweer. En toen was daar na 55 kilometer ineens de Mur de la Velomédiane. Was ik die vergeten? Of was die er vorig jaar nog niet? Het valt me in de Ardennen nooit gemakkelijk om al die korte kuitenbijters uit elkaar te houden, laat staan te onthouden. Hoe dan ook, ik zat duidelijk te ver van achteren en kwam met wat eenlingen boven, terwijl voor mij een man of twintig zich had afgescheiden. Normaal geen probleem zo vroeg in de wedstrijd, maar deze keer leek het er niet op dat ze gingen wachten.

Achtervolging nummer één. Volle bak erachteraan, langzaam dichterbij kruipen, paar keer licht omhoog, forceren op het buitenblad, aansluiten. Althans, bijna sloot ik aan, maar toen vloog bij het terugschakelen mijn ketting van het binnenblad. Afstappen, ketting erop, rijden, in de verte achter me een kleine groep achtervolgers, woede, alleen doorrijden, en alsnog aansluiten. Hoewel het duidelijk een eerste aanslag op mijn krachten was, bleek het wel de goede beslissing. Er werd vooraan inderdaad doorgereden, niet volle bak, maar rap genoeg. Aan het einde van de afdaling naar La Roche sloot er nog een enkele renner aan, maar die mocht meteen daarna vol aan de bak. De strijd begon.

In de loop van de vier steile klimmetjes vanuit La Roche scheurde de kopgroep volledig uit elkaar. Onder het geweld van met name Bart Bury (en een vermogen op mijn Powertap dat continu boven de 400 Watt lag) zakte de ene na de andere renner weg. Onder wie verrassend genoeg ook de Rabo-jongen en Haakman. Zelf moest ik op de Côte de Samrée ook een gaatje met de voorste mannen laten, onder wie naast Bury ook Deurbroeck, Diseviscourt en guest-star Maxime Monfort.

Ik kwam als vijfde boven, met in mijn wiel een kleine ranke renner in een Univega outfit, die ik later in de uitslag terug zou vinden als mountainbiker Kristof Houben. In de licht oplopende strook na de hobbelige en niet ongevaarlijke afdaling reed ik het gat met de koplopers redelijk gemakkelijk dicht. De slag was gevallen, zo leek het. Toch sloten enige tijd later nog twee mannen uit het achterveld aan: de onvermoeibare Haakman en een oudere renner in het oranje, die na enig onderzoek Jos Wolfkamp blijkt te zijn, Nederlands kampioen bij de Masters. Verder waren present: Bury, Deurbroeck, Diseviscourt, Spysschaert, ene Ludo Mottet (2e bij het BK Tijdrijden elite zonder contract, zo leert Google ons, helaas een dag te laat) en natuurlijk Monfort.

Het werd al snel duidelijk dat we het peloton vandaag niet meer terug zouden zien. Er werd redelijk samengewerkt, niet heel hard gereden, maar hard genoeg om niemand uit het achterveld terug te laten komen. Op weg naar het volgende serieuze klimwerk reed Deurbroeck op z'n Zoetemelks weg uit de kopgroep. Niet echt een aanval, maar op kousevoeten. Niemand scheen zich er druk over te maken. Bury maakte alras duidelijk dat hij het gat niet dicht ging rijden: "Bart heeft al veel pech gehad dit seizoen, en pas op hè, hij kan zomaar wegblijven," verklaarde hij zichzelf. Deurbroeck hield inderdaad verrassend stand op de winderig Ardense wegen, terwijl er achter hem nu toch iets nadrukkelijker gedraaid werd, precies genoeg om hem in het vizier te houden.

Toen er vanaf kilometer 110 weer flink geklommen moest worden leek de lichte Deurbroeck opnieuw iets uit te lopen. Op de Côte du Rideux (pin me er niet op vast, parcourskennis in de Ardennen is zoals gezegd niet mijn fort) reed Bury weg uit de groep en sloot hij aan bij naar Deurbroeck. Monfort sprong mee. In wat nu officieel niet meer de kopgroep was werd het toch wel zaak om vaart te gaan maken. Haakman en Diseviscourt waren de motivatoren van een niet al te soepel draaiend treintje. Zelf was ik in dubio; ik voelde dat ik niet de sterkste van deze zeven was, ik kon me derhalve beter sparen, maar ik wilde ook het treintje niet om zeep helpen door te gaan slepen. Mijn beurten waren derhalve een ambigue mix tussen laf gehark voor de vorm en stevige snokken ter inspiratie van de rest.

Op de Côte de Waharday (denk ik) sprong het kapot. Voor me sloeg Haakman een gaatje, met in zijn kielzog Houben en Wolfkamp (ach ja, ik had het kunnen weten, natuurlijk de twee mannen waarvan je het niet verwacht had, de mannen die in het treintje de indruk wekten niet zo veel meer in huis te hebben..). Achter me moesten Spysschaert en een moegestreden Diseviscourt passen. De drie man roken hun kans en begonnen boven direct fanatiek te draaien. Ik had geen keus. Tijd voor achtervolging nummer twee. Diep in de beugel jaagde ik achter het treintje van de drie aan. Ik hoopte het dicht te rijden in de afdalingen, maar er lag te veel steenslag en grint op het parcours om echt risico te kunnen nemen. Ik kroop dichterbij, tot opnieuw mijn ketting van het binnenblad afsloeg. Gelukkig stond er op dat moment net een afgestapte ploegmaat van Haakman in de berm, die zo vriendelijk was om mij– ondertussen vloekend en tierend – op zijn blote voeten weer in gang te duwen. (Waarvoor dank! Dat zijn nou precies de momenten dat een klein beetje steun van een onbekende je tot tranen toe kan roeren.) Het moet al met al een bijbels tafereeltje geweest zijn.

Na een dollemansrit van in totaal een kilometer of vijf sloot ik dan toch aan. Zal je net zien, dacht ik nog, begint nu de volgende klim. En ja hoor. Côte de Beffe (Vermoed ik.) Het was in ieder geval de klim waar ik ook vorig jaar moest passen. (What's in a name?) Met het hart in mijn keel en knipperende sterren voor ogen (a.k.a. zwarte sneeuw) trachtte ik nog het drietal bij te benen, maar nee, het was nu toch echt gebeurd met mij. En het ergste was nog wel dat ik op een luttele twee honderd meter voor mij ook beide Barts zag rijden. En dat ik zag hoe Haakman zich ontdeed van Houben en Wolfkamp.

En ik wilde best mee, ik wilde graag mee, want het leek zo dichtbij, maar de harde realiteit was dat willen er helemaal niet meer toe deed. Het ging alleen nog om kunnen, en ik kon niet meer. Het vermogen zakte tot 300 Watt en daaronder. Geen best teken. Mottet had achter mij ook een knap stukje tijdgereden en kwam me nog voorbijzetten. "Kom op, aanpikken, dit is de laatste zware klim!", riep iemand langs de kant. Het mocht niet baten.

En zo legde ik, geheel volgens traditie zou je inmiddels kunnen zeggen, de laatste twintig kilometers van de Velomédiane Claude Criquelion weer moederziel alleen af. Op het lange stuk vals plat omhoog naar Dochamps had ik het mentaal niet zo heel breed meer. Ik overwoog om even te wachten op mijn eerste achtervolger, Spysschaert, die op een meter of tweehonderd door zijn eigen lijdensweg in beslag genomen werd. Even hield ik daadwerkelijk mijn benen stil. Als er nog een groep achter ons aan het jagen is, kunnen we misschien beter samenwerken, dacht ik. Maar toen Spysschaert geen meter dichterbij leek te komen verwierp ik de gedachte onmiddelijk weer. Ik zette mijn malheur om in de vastbeslotenheid om die verrekte Spysschaert dan in godsnaam maar niet meer terug te laten komen. Ik zou verdoemme koste wat het kost mijn – wat was het eigenlijk? – zevende plek vasthouden!

En zowaar, de vermogenmeter liep weer iets op, Spysschaert verdween uit het zicht en op de elf ramde ik de BMC dwars door de tegenwind de afdaling naar La Roche in. Tijd: 4 uur 56. Dat was een minuut langzamer dan vorig jaar, maar toen stonden er na afloop toch echt maar 165 van de 170 beloofde kilometers op mijn teller. Nu waren het door de omleggingen ook daadwerkelijk 170. Omgerekend was ik dus weer een minuut of acht sneller. Okee, dat is een schrale troost als je eigenlijk voor het podium rijdt en zevende wordt, maar het geeft in ieder geval aan dat het niveau dit jaar opnieuw hoger was. De waarden op de Powertap zeggen hetzelfde. Geen nieuwe records (daar zat ik gemiddeld zo'n 30 Watt onder) maar met 450 Watt over een interval van twee minuten (om maar wat te noemen) was ik vandaag ook zeker niet slecht. Te snel leeggereden, dat wel. Complimenten dus aan de zes mannen voor mij en alle hulde aan de onvermoeibare Haakman, die toen hij moest lossen op de Côte de Samrée waarschijnlijk ook niet meer aan winnen had gedacht. Het bewijst maar weer dat wielrennen een sport voor doorzetters is. Pure wilskracht, al moeten je benen wel kunnen op het moment dat je wil.

(Met dank aan Onbekende Jongen van West-Frisia en Rob van CycloBenelux voor de ondersteuning)

bekijk hier de uitslag