over wielrennen
DECLASSEREN EN GEDECLASSEERD WORDEN
Tijdrijderscup Almere
Afgelopen zondag zette Fabian Cancellera het tijdrijden als discipline weer op de kaart. Hij declasseerde de rest van de favorieten door in Paris-Roubaix op 47 kilometer voor de streep solo weg te rijden en bijna drie minuten te pakken. Tijdrijders kunnen dat.
Zelf reed ik zondag een tijdrit in de buurt van Almere. Hoewel de opkomst behoorlijk groot was, vraag je je soms toch af waarom het tijdrijden als discipline zo weinig in trek is onder wedstrijdrenners. Er worden in Nederland vanuit de KNWU jaarlijks welbeschouwd slechts twee tijdritten georganiseerd: de districs- en nationale kampioenschappen. En dan nog komt daar niet meer dan een handjevol renners op af. Wat heet; op het NK voor de elite kan iedereen topdertig rijden, simpelweg omdat er niet meer deelnemers zijn. Alle andere tijdritten worden op clubniveau georganiseerd; de uitslagen daarvan worden door de KNWU geregistreerd noch erkend.
Wellicht kampt het tijdrijden met eenzelfde haat-liefde verhouding als de cyclo's, die door de KNWU al even stelselmatig worden genegeerd. Zie de analogie: lichtgebouwde klimmers vereren de Marmotte als hun eigen jaarlijkse hoogmis; bonkige waaiercoureurs halen hun neus ervoor op. Renners met liefde voor de tijdrit bestrijden elkaar om het felst (en op het fraaiste materiaal) in obscure tijdritten in Warns of Almere; renners die er een hekel aan hebben zijn nog te beroerd om voor een proloog in een etappekoers een ligstuurtje te monteren. Wie is hier de echte renner? Als je het Wielermagazine van de KNWU leest, zou je denken dat klimmers en tijdrijders er inderdaad niet toe doen. (In tegenstelling tot onder meer fietscrossers en veldrijdsters.)Toch fijn dat Cancellara dat misverstand voor eens en voor altijd heeft rechtgezet.
Het mag duidelijk zijn: ik ben een fervent tijdrijder. Wat het mooiste is aan tijdrijden? De snelheid. Hoe je, diep over je frame gebogen, soms kilometerslang snelheden boven de vijftig per uur weg kan malen terwijl je dichte achterwiel een laag zoemend geluid produceert en de wind langs je aerodynamische helm suist. Het gevoel dat je meer snelheid ontwikkelt dan een simpel motorblok van 50 cc. Iets mooiers is er niet.
En in een tijdrit wordt je geklopt op waarde. Er komt geen geluk, toeval, handigheid of slinksheid aan te pas; wanneer je wordt ingehaald door een renner die achter je is gestart zak je in het klassement. Zo simpel is het. Declassering in zijn meest zuivere vorm.
Het overkwam mij gisteren op driekwart van de wedstrijd. De startlijst was opgesteld op basis van gemiddelde snelheden die door de deelnemers zelf geschat waren. Ik had 44 per uur opgegeven; ik kan harder, maar pas later in het seizoen en misschien ook niet over 40,8 kilometer. En zelfs 44 uur bleek een beetje optimistisch, gezien de straffe noord-oostenwind die 's Neerlands leegste provincie gisteren teisterde. Slechts twee deelnemers hadden zich gewaagd aan een nog optimistischere prognose, zodat ik als twee-na-laatste mocht starten. Onderweg doemden één voor één de mij gestartte renners op. In totaal wist ik er vier in te halen. Een goed teken, zo deduceerde ik, want op deze manier werd de concurrentie vrijwel zeker beperkt tot de twee renners achter mij.
Halverwege de laatste lange bocht van het grote, vierkante parcours bij Almere kwam één van hen voorbij zetten. Hard. Bij mijn eigen inhaalmanoeuvres had ik er bewust voor gekozen om even kort te herstellen alvorens in te halen, zodat ik de inhaalmanoeuvre met voldoende snelheidsverschil kon volbrengen. Hoewel aanpikken (in dit verband ook "stayeren" genoemd) in tijdritten officieel verboden is, neem je toch liever het zekere voor het onzekere. Ik ondervond nu zelf aan den lijve wat het effect van deze tactiek is. Pure declassering. Want je rijdt feitelijk al maximaal, dus je kán helemaal niet meer versnellen om aan te pikken, al zou je dat willen. Een groot snelheidsverschil is pure vernedering. Je moraal – zo hard nodig om de pijn te verbijten, en te blijven verbijten, 40,8 kilometer lang – is op slag verdwenen. Je valt stil, verliest je ritme. Weg zelfvertrouwen, weg mogelijke overwinning.
Wat overblijft is een bonk verzuurde spieren op een veel te dure carbon fiets, waarvan de ketting ook nog eens kraakt en piept. Voor mijn gevoel duurde het een paar lange minuten voordat ik hersteld was van de klap en me weer een beetje in gang wist te trekken. Na twaalf kilometer wind in de rug (en af en toe 56 op de teller) duurden de laatste kilometers met volle zijwind eindeloos lang. In de verte zag ik de winnaar (Giel de Nijs) kleiner en kleiner worden. Tweeëneenhalve minuut kleiner om precies te zijn.
Een wijze les (die ook Boonen die weekeind leerde):
pas op als je goed bent, er is altijd iemand beter.
zie hier de gehele uitslag

(sterven in de laatste meters, op de twaalf)