VOORTEKENEN
Ronde van Limburg, Stein

Achteraf zijn er altijd voortekenen. Altijd. Op zondag 7 juni reed ik de Ronde van Limburg, een zware koers van bijna 200 kilometer met de beste Nederlandse ploegen aan de start. We waren nog niet vertrokken of het begon te regenen. Geen goed teken. En dat was pas het begin.

De koers was nerveus, zoals elke Nederlandse koers. Het zand stroomde van de Limburgse heuvels, het stroomde met het regenwater de weg op, werd door 150 paar wielen meegesleurd en opgespat in 150 paar ogen. Draaien, keren, klimmen, dalen. Onder je stuur zag je de remblokken slijten. Op een bepaald moment kneep ik mijn remgrepen na een afdaling weer eens vol in, en moest ik gelaten constateren dat er eigenlijk helemaal niets gebeurde.

Op vol vermogen en met halve remkracht denderden we voort door het Limburgse land. Het was een wonder dat er geen ongelukken gebeurden. Of nee, het was een wonder dat er niet meer ongelukken gebeurden. Want daar was het eerste geluid al. Metaal, aluminium en carbon, schrapend over steen. Nog net kon ik de renner voor mij ontwijken. Ik benijdde hem niet. Sukkel, houd je stuur dan ook goed vast.

Angst sloeg toe. We daalden als een stelletje seniore wielertoeristen, met het zadel tussen de dichtgeknepen billen. Het volgende moment: ik rijd aan de rechterkant van de weg en ineens is daar de stoep. Geen rechtopstaand trottoir, goddank, maar een tabstoelopende richel die de weg van het fietspad scheidt. Daar ga ik dan, het zat erin, denk ik. Wat een kutkoers is dit eigenlijk. Maar mijn fiets blijft overeind, wipt de de richel op, weer af, pakt nog een volgende richel mee en kiest uiteindelijk voor het fietspad. Omdat ik zo snel mogelijk terug wil naar de beschutting van het peloton stuur ik dwars door de eerste beschikbare grasstrook de weg weer op. Zowaar, het gaat goed, geen verborgen greppel onder het hoge gras en genoeg ruimte in het peloton om weer in te voegen. Maar opnieuw: geen goed teken.

De moraal sijpelt langzaam uit me weg, zoals het vuile regenwater uit mijn doordrenkte kleding. Aan een goede klassering denk ik al niet eens meer. Laat staan aan de wildcard voor het NK die een plaats bij de eerste tien clubrenners me oplevert. Overleven, dat is het enige waar mijn wil zich nog toe kan zetten.

Het lukt, althans tot kilometer 135. Een licht aflopende, rechte weg, niets aan de hand. Opeens zie ik mijn voorganger een rare manoeuvre maken. Waarom doet-ie dat nou, denk ik nog, maar het volgende moment slaat mijn voorwiel vast in een gat in de weg. Een diep gat. De teller maakt een vrije val. Van 48 naar 0 in punt-twee seconden. Ik herinner me dat ik vloekte. Godver! Uit het niets: mijn achterhoofd tegen het asfalt. Bam. Mijn rechterarm en –been, die vakkundig geraspt worden door het ruwe, vooroorlogse asfalt. Minutenlang lijkt het wel. In de modderige berm kom ik tot stilstand. Beduusd blijf ik zitten tot de ploegleidersauto arriveert. Geen idee wat ik moet doen. Raap mij maar op.

Drie uur en twee ambulanceritten later lig ik gewassen, schoongemaakt en verpleegd in het ziekenhuis van Geleen te wachten tot iemand me ophaalt. Het valt mee, zoals eigenlijk altijd, of bijna altijd met valpartijen. De schaafwonden zijn al begonnen aan hun herstel en ik maak voorzichtige inschattingen van de duur van mijn verplichte rustperiode. Haal ik de Marmotte nog? Ja, die zal ik wel halen. En wat is dan uiteindelijk het ergste? De spierpijn die mijn hele lijf de komende dagen in gijzeling zal nemen? Het branderige gevoel van de schaafwonden? Dat verdomde eigen risico op die toch-al-dure ziekenkostenverzekering? De materiaalschade? Nee. Het ergste is dat ik nu nooit zal weten of ik de 60e editie van de Ronde van Limburg überhaupt had kunnen uitrijden. Want dat deed slechts 35 man. Onder wie zes clubrenners.

Bekijk hier de complete uitslag