over wielrennen
ÉÉN UIT VIER
Vaujany, Prix des Grand Rousses, Marmotte, Etape du Tour
Juli is traditioneel de maand van de Marmotte. Hoogtepunt van het seizoen, hoogmis van het wielrennen (voor fanatieke klimmers althans). In de aanloop naar de Marmotte reed ik bovendien – en even tradioneel - de Vaujany en de Prix des Grand Rousses. En tweeëneenhalve week na de Marmotte was daar bovendien de Etape du Tour; de cyclo versie van de één-na-laatste touretappe van 2009: Montélimar – Mt. Ventoux. De resultaten vielen over het algemeen een beetje tegen. In slechts één cyclo's ging alles zoals het moest, en dat was dan ook nog de kleinste wedstrijd van de vier.
Een kort overzicht. Vaujany: al op de eerste col met vier man van Veltec in een kopgroep van tien. Bij de tweede aanval van Dekker zeg ik tegen Oege dat hij mee moet; hij klimt duidelijk het gemakkelijkst van ons vieren. Met zijn drieën controleren we de achtervolgende groep, grijnzend. Het podium kan ons niet meer ontgaan. Denken we. Maar hoogmoed komt (ook traditioneel, of bijbels zelfs) voor de val. Richard moet op de Ornon onze groep laten gaan vanwege knieproblemen. Hij komt de rest van de week niet meer in actie. Ik blaas mezelf op door vol in de achtervolging te gaan als de groep op de klim naar Villard Réculas uit elkaar spat. En Frederic moet op dat moment passen.
In de hitte op de kale en nauwelijks verhardde Col de Sarenne loop ik nog verder leeg en begint de kramp op te spelen. In de afdaling pik ik tot overmaat van ramp Oege op, die lek heeft gereden, en niet veel later staat ergens achter ons ook Frederic stil met kramp. Ik hoop er met Oege nog een koppeltijdritje naar de slotklim van te maken, maar hem laten gaan als de kramp bij elke knikje in de weg opnieuw in mijn benen schiet. Ik moet meerdere keren van mijn fiets om te strekken, water bij te vullen en opnieuw te strekken, naar mijn stellige overtuiging kunnen er elk moment renners uit de achterhoede over me heen komen denderen – en dan zal ik niet eens meer aan kunnen pikken. Het kan me allemaal niets meer schelen en aan de voet van de Vaujany waag ik het zelfs om af te stappen op te pissen, wat normaal gesproken bijna gelijk staat aan opeven. Maar tot mijn verbazing komt er niemand. Ik hijs mezelf met de moed der wanhoop de klim naar Vaujany op en wordt toch nog zevende achter Oege. Maar zonder al te veel overtuiging.
Marmotte. Net als je denkt dat je het koersverloop van deze cyclo kent als je broekzak, gaat alles toch weer anders. Dit jaar wordt er niet hard gereden op de Glandon, waardoor er een grote groep van 40 tot 50 man in het dal arriveert. En terwijl ik in het laatste wiel zit te wachten op de Télégraphe beginnen er vooraan mensen te demarreren. Idioten, denk ik nog, maar later blijkt teamgenoot Oege een van de aanstichters. Oege Nooitgenoeg. Pure krachtspilling, denk ik nog als de groep in drieën breekt, alles komt zo wel weer bijelkaar. En zo verpest ik in één schijnbaar onbeduidend moment een webdstrijd van bijna zeseneenhalf uur. Want het komt niet meer bijelkaar, en met een achterstand van ongeveer een minuut begin ik aan de Télégraphe. Ik rijd vol door, rijd de klim net binnen de 40 minuten (wat volgens mijn zelf geklokte tijden ongeveer net zo snel is als het tourpeloton in 2007) en sluit in Valloire aan bij een groep van mijn nivo.
Maar de kop van de webstrijd zal ik niet meer terugzien. Dat is slecht voor de moraal, en bovendien merk ik ergens op de 18 kilometer lange Galibier dat ik iets te veel kracht verspild heb op de Télégraphe. Waar ik in voorgaande jaren richting de top op 2600 meter juist verbeterde, wordt het dit jaar steeds minder. Om mij heen is het weliswaar niet veel beter gesteld (alleen de hoekige buitenblad-klimmer Patrick Gueraud rijdt bij ons groepje weg; de rest laat ik op mijn beurt achter me), maar als in de laatste kilometers ineens Tom Relou langszij komt (Team Piels, en toevallig ook net de persoon die me in 2007 de doodssteek bezorgde door vlak voor de finish mijn 15e plek weg te kapen), zakt de moed me in de schoenen. Vastbesloten als ik ben, ik kan zijn wiel niet houden en ik kom over de top in het gezelschap van een wat oudere Franse renner, die ik feitelijk inhaalde, maar die zich in mijn wiel vastbeet en me vervolgens bijna lostte toen ik nog slechter werd. We blijven de hele afdaling van de Lautaret samen. Hij daalt erg goed. Op de steile flanken van de Galibier rapen we twee slechte dalers uit de voorhoede op; eenmaal op de Lautaret is er geen spoor meer van ze te bekennen.
In de lange afdeling probeer ik zo veel mogelijk te eten en te drinken, maar het valt niet mee om een beurtje over te slaan in een groep van twee. De eerste kilometers van de alp zijn rampzalig. Het is moordend heet, er is geen beschutting en ik moet alles uit de kast halen om niet gelost te worden door mijn vriend de veertigplusser. Toeschouwers langs de kant geven verwarrende informatie; gemiddeld genomen zou ik ergens tussen plek 20 en 30 rijden. Niet bepaald motiverend. En dan voltrekt zich ergens op de tweede helft van de klim toch nog een klein wonder. Ik weet niet wat het is, misschien dat mijn maag nu pas de suikers begint af te geven die ik de laatste 50 kilometer in zo'n ruime mate tot me genomen heb; misschien is het de verfrissende bidon met water die Richard (die ons bevoorraad nu hij niet kan deelnemen) over me uitgiet, of misschien wordt het gewoon wat koeler nu we hoger komen.
Feit is in ieder geval dat ik plotseling versnel en de Fransman geparkeerd achterlaat. Het is weer één van die onverklaarbare wendingen die eigen zijn aan lange, zware wedstrijden als deze. Er is weer kracht in mijn benen, ik ga een verzet groter rijden en vind een goed tempo. De eerste die ik opraap is Sjef Graafmans, een oude bekende in de cyclo wereld die lang vooraan heeft standgehouden. Maar nu staat hij stil, wat mij –wreed als het leven soms is – alleen maar harder doet rijden. Want het vermoeden rijst dat er nu meer renners uit de voorhoede binnen schootsafstand zijn. Nummer twee is nota bene teamgenoot Oege, die staat te kotsen langs de kant. Hoewel ik met hem te doen heb, alweer tegenslag, gaat het geenszins ten koste van mijn eigen opmars. Het tij is gekeerd. Zie ik daar in de verte niet een blauw shirt, dat als ik me niet vergis aan een renner van Team Piels toebehoort? Jawel, hij is het echt, mijn bloedeigen kwelgeest! En omdat ik het niet kan laten, laat ik het tempo iets zakken om op adem te komen, schakel ik op en forceer voor een paar honderd meter een tempo dat hij zeker niet zal kunnen volgen. En hopelijk ook niet snel zal vergeten.
Nog steeds zijn de goden me goedgezind. Ik raap nog drie renners op, waaronder Steve Diaz, leider in het klassement van de Grand Trophéé en tevens de vuilak die derde werd in de Vaujany en die mij deed plafonneren op Villard Réculas, terwijl hij eerder zogenaamd zat te knikkebollen in het laatste wiel. Eet dit, Steve! En ik ben er voorbij. Uiteindelijk kom ik als 8e over de finish, in een waardeloze tijd van 6.25. Ondanks de wederopstanding geen verbetering ten opzichte van vorig jaar dus, maar eerder een kleine verslechtering, want als ik een paar dagen later de uitslag op internet bekijk, ben ik zelfs naar plaats 11 gezakt, omdat een drietal renners er klaarblijkelijk in is geslaagd om de oversteek van het tweede startvak naar de kop van de wedstrijd te maken. In de koers heb ik ze weliswaar achter me gelaten, maar door hun latere starttijd is hun netto eindtijd sneller. Tsja.
Dan de Etape du Tour. Het is altijd moeilijk om je na de Marmotte op te laden voor een volgende grote koers, en dan heb ik het nog niet eens over de totale vermoeidheid die zich minstens een week over je lichaam ontfermt. Maar toch, ik had het idee dat ik er redelijk voorstond en bovendien zou deze cyclo bijna een thuiswedstrijd zijn, want ik breng al een jaar of vijf al mijn vakanties door in het huis van mijn schoonmoeder, dat zich in de prachtige streek ten noorden van de Ventoux bevindt. De wedstrijd zelf was voor mij echter in één ogenblik bekeken, en dat was op de dag voor de start, toen duidelijk werd dat de organisatie alleen bereid was om Edith en Michel voorin te laten starten. Frederic, Charles en ik moesten maar genoegen nemen met onze startnummers net boven de 2000. Het was al snel duidelijk dat klagen of protesteren geen zin had, en zo werd onze wedstrijd een veredelde toertocht.
Die we overigens naar omstandigheden nog heel aardig volbracht hebben. Tussen de start en de tweede col haalden we zo'n beetje alles in wat niet snel genoeg was om het wedstrijdpeloton te volgen. Voor ons reed nu nog slechts zo'n 150 man, maar het voornaamste probleem was die 150 stuk voor stuk sterker waren dan het merendeel van ons peloton. Toen ons peloton ook nog eens collectief weigerde te rijden, glipten Frederic en ik handig mee met een kloeke Duitser, die zozeer met zijn krachten smeet dat hij niet de indruk wekte op de hoogte te zijn van wat ons aan het eind van het parcours wachtte: 1500 hoogtemeters tegen 7,5%. Vanuit het achterveld sloten de beste klimmers zich bij ons aan, terwijl we ook al de eerste lossers uit de kop begonnen op te vissen. (Waaronder overigens een renner die slechts één arm had, wat hij trachtte te verbergen door zich compleet overmoedig in iedere afdaling te storten.) Ondertussen werden we in de dorpen op de zuidflanken van de Mont Ventoux toegejuicht door hordes mensen, die in een generale repetitie hun enthousiasme vast op scherp zetten voor de echte tour, aanstaande zaterdag.
En toen was hij daar: de kale berg. Het maanlandschap in de zinderende hitte van de Provence, de gigant van de Drôme, de moordenaar van Tommy Simpson en menig wielertoerist. Ik weet niet wat me bezielde, maar ik besloot de berg vol aan te vallen, zoals je zou doen als je net in Bédoin uit de auto was gestapt. Frederic ging mee, samen met twee Fransen, de rest was al snel uit het zicht verdwenen. In de eerste steile kilometers waren Frederic en ik nog met zijn tweeën over. Er gebeurde iets geks. In plaats van gebroederlijk omhoog te rijden, wilde geen van beiden voor de ander onderdoen. Frederic nam over en reed naar mijn smaak net een tikkeltje te hard. Dus liet ik hem een beetje gaan. Maar toen hij daar vijf meter voor mij uitreed, voelde het toch niet goed. Hoe kan dit nou, vroeg ik me af, normaal ben ik toch beter dan Frederic?
Gelukkig leek de orde der dingen zich te herstellen. Het tempo van Frederic zakte wat terug, terwijl ik net een opleving had. Verbaasd over de kracht in mijn benen schakelde ik naar de 23 en reed ik hele stukken zonder te hoeven staan naar boven. Eenmaal in de buurt van Chalet Reynard, waar het bos overgaat in kale steenhellingen, zag ik mijn hartslag echter langzaam teruglopen. Een slecht teken. Ik was vergeten dat het evenzeer in de orde der dingen besloten ligt dat een renner die na 150 kilometer volle bak een klim van 21 kilometer op wil rijden er goed aan doet daar een reepje of een gelletje bij te eten. Zo'n vijf kilometer voor de top was de tank leeg. Goed leeg. Niet een beetje leeg, maar helemaal leeg. Ik kreeg de pedalen niet eens meer rond – en dat bedoel ik letterlijk – en moest afstappen. Dat was me lang niet overkomen. Een zestal renners kwam me voorbij, waaronder - natuurlijk – Frederic. Ik kwam uiteindelijk nog wel boven, maar voor mijn gevoel duurde het eeuwen. En het waren niet bepaald de leukste eeuwen uit mijn wielercarrière. Ik verloor drie minuten op Frederic en eindigde als 85e (78e, de late start meegerekend). De klim kostte me in totaal anderhalf uur. Ik troost me met de gedachte dat ik zonder de inzinking rond de 1 uur 20 had geklokt. Een veel hogere klassering had dat overigens niet opgeleverd, maar voor mijn gevoel van eigenwaarde was het allicht beter geweest.
En dan tot slot een koers uit het boekje. Zo hoort het te gaan. Prix des Grand Rousses. Met 40 kilometer een belachelijk korte wedstrijd, eigenlijk meer een dubbele klimtijdrit: eerst Alp d'Huez, dan Vaujany. Op Alp d'Huez belandde ik na de eerste schermutselingen in een groepje van vijf, aangevoerd door oude bekende Sander Smits. Die was beduidend minder in vorm dan vorig jaar en moest lossen onder zijn eigen tempo. Al snel waren we met nog drie man over; een kleine, Italiaans uitziende klimmer van zekere leeftijd, een jonge Franse renner met het brede postuur van Feike Loots en ik. De Fransman was duidelijk het sterkst. Op het bevoorradingspunt kreeg ik van Jan door dat er maar drie man voor ons reden– een meevaller.
In de eerste afdaling werd duidelijk dat ik met afstand de mindere daler was; in de eerste vlakke kilometers naar Villard Réculas moest ik vol aanzetten om terug te keren. In het tweede deel van de afdaling nam de Fransman de leiding. De Italiaan zat achter me, maar was na de eerste paar haarspeldbochten ineens uit het zicht verdwenen. Ik heb later geprobeerd te achterhalen wat er met hem gebeurd is, maar ik ben bang dat ik het nooit zal weten. Het gaf de Fransman in ieder geval de moed om nóg harder af te dalen; en zo trokken we na elke haarspeld een sprint naar de volgende bocht tot we beneden waren. Op de weg langs het stuwmeer gebaarde de Fransman dat ik over moest nemen, maar toen ik, eenmal op kop, een paar honderd meter voor ons Oege in het vizier kreeg, had ik een prima reden om dienst te weigeren. De Fransman bracht me naar de slotklim en ging er toen, de eerlijkheid gebiedt me het te zeggen, vrij snel vandoor. Hij was gewoon de betere klimmer.
Toch lag het allemaal nog op een zakdoek, zoals Belgische wielercommentatoren zouden zeggen. Oege een paar honderd meter vooruit, daartussen de Fransman en ik achteraan. Even voor het dorp Vaujany dreigde de Fransman bij Oege aan te sluiten, maar Oege had nog sjoege genoeg om te versnellen, wat de Fransman waarschijnlijk zo veel mentale schade toebracht dat hij daarna op dezelfde afstand tussen mij en Oege bleef hangen. Zelf koesterde ik nog even de hoop op een prachtig eindschot, waarbij ik de Fransman tot ieders verbazing geparkeerd zou laten staan op plek vijf, maar de verrekt steile slotkilometer herinnerde me al snel aan het feit dat ik een renner zonder enig eindschot ben. En dus eindigde ik op plek vijf, op tweeëneenhalve minuut achterstand op winnaar Bert Dekker, die overigens ook de Vaujany en de Marmotte won. Het feit dat ook de drie anderen renners (Paul Kneppers, Oege en de Fransman) zeer fatsoenlijke klimmers waren stemde me, tezamen met de verbetering ten opzichte van vorig jaar (7e), tot een zekere tevredenheid. Vandaag was ik precies zo goed als ik was. Alleen jammer dat ik dat gevoel bij de drie grote wedstrijden niet had. Het schijnt bij de sport te horen.