over wielrennen
GEEN VOORUITGANG GEEN GLORIE
Vélomediane Claude Criquelion, La Roche (België)
Wielrennen is de sport van de vooruitgang. Niet zozeer wat het materiaal betreft, want afgezien van al het carbon en het aantal tandjes op je achterwiel rijden we welbeschouwd al sinds 1933, toen de eerste derailleur in gebruik genomen werd, op een en dezelfde tweewieler. Nee, ik bedoel vooruitgang als in voorwaartse beweging.
Een voorwaartse beweging die je letterlijk kan nemen, want elk jaar dat je serieus aan het trainen bent, ga je weer wat harder rijden. Nou goed, soms valt die vooruitgang nauwelijks waar te nemen, maar soms maak je ineens een heuse sprong naar een nieuw niveau. Zo demarreerde ik dit voorjaar voor het eerst in mijn carrière met snelheden van achterin de vijftig weg uit het peloton. Ik wist niet wat me overkwam. En tijdens de ploegentijdrit op het NCK begin oktober zag ik mijn teller zelfs richting de 62 gaan. Met een stormwindje in de rug weliswaar, maar toch.
Figuurlijk is vooruitgang in het wielrennen nog veel belangrijker. Want in wedstrijden kijk je altijd vooruit. Niet hoeveel man er achter je rijdt is van belang; alleen wie er nog voor je rijdt telt. Omdat winnen in pelotons van meer dan honderd man nou eenmaal een zeldzaamheid is, gaat het erom je klasseringen te verbeteren. Oprukken tot diep in de toptien, net zo lang tot je niemand meer voor je hoeft te dulden, daar gaat het om.
Die gerichtheid op vooruitgang heeft zo zijn keerzijde. Wie achtste wordt in de Marmotte heeft alleen oog voor de zeven renners die voor hem geëindigd zijn. Over de 7992 man achter hem hebben we het niet eens. Maar voor de moraal zou een andere redenering wellicht beter zijn.
Deze bespiegelende gedachten kwamen voort uit het verloop van de Vélomediane Claude Criquelion, die ik eind augustus in de Belgische Ardennen reed. De koers begon rustig. In de lange, smalle afdaling naar de eerste klim reed een groep van een man of tien weg, maar dat was niets om je zorgen over te maken. Vorig jaar had ik ervaren dat de koers hier pas na een kilometer of 70 begon. Na de tweede passage in startplaats La Roche volgt een lange, steile klim waar de boel traditioneel ontploft. En dan nog komt er een grote groep terug in de lange afdaling, waardoor de slag pas bij de eerstvolgende klim valt, rond kilometer 110. Zelfvertrouwen is niet zozeer het resultaat van goede training, alswel van ervaring.
Dus toen op 70 kilometer de eerste schifting een aanvang nam, zat ik keurig voorin. Op de 20%-stukken kon ik door een gebrek aan brute kracht in combinatie met een 25 achter niet veel meer dan volgen, maar toen het eenmaal wat afvlakte, zag ik mezelf zowaar wegdemarreren uit de voorste groep. Ik sprong achter een renner van de Delftse club WTOS aan, die de hele klim met veel machtsvertoon tempo bleef voeren. Het bleek hem erom te doen te zijn de beste tijd op het eerste tussenpunt neer te zetten. Ik geloof dat hij daar inderdaad in geslaagd is, en ik moet ook toegeven dat ik onder de indruk was van zijn manier van rijden, maar het is jammer dat ik 'm in de finale niet meer gezien heb.
En die begon dusinderdaad na 110 kilometer. We waren met een select gezelschap boven gekomen op de lange klim vanuit La Roche. Tino Haakman, de winnaar van vorig jaar, was erbij, evenals VIP Maxime Montfort en een vriendje van hem dat ook in Columbia outfit reed, en natuurlijk onze Delftse locomotief. In de lange afdaling sloot er zoals verwacht van alles en nog wat weer aan. Opnieuw niets om je zorgen over te maken, want terwijl wij aan het herstellen waren van onze inspanning hebben zij vol gas moeten rijden om aan te sluiten. Op de eerstevolgende col bleef er nog maar vijf man over, buiten Montfort gerekend dan: Haakman, twee Belgen, de iele Columbia look-a-like en ik. Vervelend genoeg moest ik een gaatje laten op de laatste steile honderd meters, en het is verbazingwekkend hoe lastig het is om een gat van tachtig meter op een kopgroep dicht te rijden. Een kleine tijdrit later sloot ik als laatste aan.
Een dubieuze eer. In plaats van blij te zijn dat ik in deze zware koers slechts vier renners voor mij hoefde te dulden (waaronder één prof) en dat ik er toch maar mooi bij was op het moment dat het er echt op aankwam, was ik me vooral bewust van het feit dat deze vijf mannen me op de eerstvolgende helling met een stijgingspercentage boven de 10% rücksichtloos zouden laten staan. Ik zou alleen achterblijven, zwemmend in het grote niets.
Zo ging het ook. De kopgroep draaide niet lekker, onder meer omdat ik zelf, zijnde de minste van het stel, liever niet meer op kop wilde komen. Toen de Columbia-man-zonder-contract op een klim wegreed, was het met ons gedaan. Haakman leek even later weg te vallen door een lekke band, maar keerde opvallend snel terug in onze groep, die die naam eigenlijk al niet meer waardig was. Op 135 kilometer ging het mis. Haakman reed weg, de twee Belgen reden er wat verdwaasd achteraan en bij mij schoot de kramp in mijn bovenbenen. In tegenstelling tot wat ik vorig jaar dacht kon het niet door vochttekort komen. Het was niet warm en ik had voldoende gedronken. Waarschijnlijk heeft het dus meer te maken met de korte krachtsexplosies op de steilste klimmetjes van deze cyclo, die leiden blijkbaar tot verzuring of iets dergelijks.
Moederziel alleen begon ik aan mijn laatste dertig kilometer. Na een tijdje trok de kramp uit mijn benen en hervond ik op de lange laatste klim een aanvaardbaar ritme. Tot mijn niet geringe verbazing haalde ik zelfs één van de Belgen, die volledig geparkeerd stond, weer in. En zelfs de andere Belg, een ontzettend breed, klein mannetje, een sportschooltype waarvan je niet zou geloven dat hij kan kilmmen als je dat niet met je eigen ogen gezien had, gleed langzaam mijn gezichtsveld in. Een podiumplek kwam binnen de grenzen van het haalbare.
Met 160 kilometer was het klimmen gedaan. Er volgde nog een kort stukje vlak, en dan restte slechts de heerlijke afdaling naar La Roche. Terwijl ik mijn vermoeide hoofd afzocht naar een manier om de kleine bodybuilder te grazen te nemen, werd ik ingehaald door een soepel draaiend treintje van een man of zeven. Ik kon nog net aanpikken, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Alras werd ook de brede Belg verzwolgen en in de smalle straten van La Roche (die dit jaar godlof wél met hekken afgezet waren) draaide het uit op een sprint om plek drie. In een reflex deed ik nog iets dat op aanzetten leek, waarbij elke spiervezel in mijn bovenlijf pang zei.
Ik eindigde roemloos als elfde. Vervelend detail was dat Jacques Schuit, die ik eerder dit seizoen zijn derde plaats in de Fietschallenge al niet gunde vanwege ongeoorloofde praktijken, in het treintje met sluitmoordenaars zat en voor mij eindigde. En van al die dingen die je kan denken (Ik reed beter dan vorig jaar. / De koers was harder, ik reed bijna 10 minuten sneller dan vorig jaar. / Jammer, ik heb gegokt en verloren. / Ik zat er toch maar mooi bij toen de slag viel.) is dit de enige gedachte die overblijft: geen vooruitgang, geen glorie. Wielrennen is een harde sport.
Zie hier de complete uitslag
winnaar Bart Bury