ONGEGENEERD
Bergomloop van Simpelveld

Afgelopen zondag, Simpelveld. Ik had niet eens hele hoge verwachtingen. Uitrijden, dat zou al meer dan genoeg zijn na de blamage van vorig jaar. Dat jaar startte ik achteraan en zakte ik binnen enkele ronden naar een kleine derde groep, die al snel een achterstand van luttele minuten op de kop van de wedstrijd had. Mijn moraal verdween, de jacht waar ik en mijn zeven medestumpers onszelf in aan het verliezen waren leek me ineens compleet zinloos en ik stapte af. Dat zou me dit jaar niet overkomen. Vorm was aanwezig, of begon in ieder geval weer te komen, gezien de zeer goed verlopen trainingskoers op dinsdag.

Maar opnieuw zat het er niet in, daar in Simpelveld. Ik stond keurig vooraan opgesteld dit keer, en had een prima uitzicht op de talenten van Rabobank, die zich voor mij verzamelden. Kleine, jonge mannetjes, met even weinig haar op hun kin als op hun benen. Hoe hard kunnen die nou één en al rijden, dacht ik nog. Hard dus. Heel hard. Ze declasseerden niet alleen mij, maar het hele deelnemersveld. Jetse Bol en Wesley Kreder bouwden tegen het eind van de koers zelfs zoveel voorsprong op dat het peloton, of wat daar nog voor doorging, een ronde voor het einde af mocht sprinten voor de ereplaatsen.

Zelf had ik op dat moment mijn rugnummer al ingeleverd. Ik zal het maar zeggen zoals het was: ik was er ongegeneerd hard afgereden. Op zich wist ik me de eerste helft van de wedstrijd goed te handhaven. Het tempo was moordend, maar leek desalniettemin niet af te nemen. Het aantal deelnemers wel. De ene na de andere gerenommeerde naam stond plotseling stil op de Hulsberg, geparkeerd als een ouwe Fiat. In ronde elf (van de twintig) werd er voor de verandering weer ongegeneerd hard doorgetrokken op het laatste en verdomd steile knikje van de Hulsberg. Hoe graag ik ook wilde, het lukte me niet om op te schakelen en een grotere versnelling te forceren. Ik kan dit niet, was het enige dat nog door me heen schoot toen er voor mijn neus een gat van een meter, twee meter, tien meter viel.

Een halve ronde later was het gat onmiskenbaar gegroeid. Het peloton was uit het zicht verdwenen, wat meestal duidt op een achterstand van een seconde of dertig. Niet zo best dus. Het feit dat de vijf overlevenden die mij omringden er zo mogelijk nog slechter aan toe waren dan ik maakte de prognoses er niet rooskleuriger op. Er werd nog wel samengewerkt, maar zonder al te veel overtuiging. Op de twaalfde beklimming reed ik bij het groepje weg. Voor de duidelijkheid: niet omdat ík dat wilde, maar omdat zíj niet harder gingen. Ik reed bijna de hele ronde alleen, totdat ze in de afdaling naar Simpelveld weer aansloten. Beklimming nummer dertien: ik reed weer weg, nu in gezelschap van een andere renner. Maar het was zinloos, dat was wel zeker.

simpelveldIk overwoog af te stappen. De parallel met met vorig jaar was onmiskenbaar. Er viel hier een duidelijk gebrek aan vooruitgang waar te nemen, wat weer wees op een parallel met het leven in het algemeen, dat al even zinloos is. Net voordat ik dreigde te bezwijken onder zelfmedelijden kwam de bezemwagen van de ANWB langszij. De hemel had medelijden met ons zwakkelingen. We werden vriendelijk verzocht om de koers te verlaten. Naar al snel bleek niet eens als gevolg van onze enorme achterstand op het peloton, maar dankzij de twee oranje-witte koplopers. Die nog steeds ongegeneerd hard aan het rijden waren, en dat naar verwachting over tien jaar nog steeds zullen doen. Met een beetje geluk zit ik tegen die tijd lekker met een biertje achter de tv.