VORM
La Marmotte, Bourg d'Oisans, Franse Alpen

Wat is talent? Een lastige vraag, die alle deelnemers aan wedstrijden, examens, concoursen en talentenjachten bij tijd en wijle volledig in beslag neemt. Meer specifiek: héb ik talent? In de wielersport bestaat talent voor het grootste deel uit een puur fysieke eigenschappen; hoe veel vermogen kan je lichaam leveren, hoe lang houdt je lichaam dat vol, en – als het bergop gaat – wat weegt dat lichaam? In een krantenartikel over de Tour de France deed inspanningsfysioloog Adrie van Diemen uit de doeken dat de renners in het profpeloton elkaar in de aanloop naar de Tour overtroeven met het cijfer dat hun vermogen per kilo lichaamsgewicht vertegenwoordigt, dat verdacht veel weg heeft van een rapportcijfer. Bij de beste klimmers ligt dat tussen de 6 en 7 watt per kilo; ik zou in mijn beste vorm en met wat geluk misschien net een voldoende scoren: 5,5.

Maar toch is talent meer. Koersinzicht. Een neus voor de goede ontsnapping hebben. Timing. Geduld. Toewijding. Beleving. Bravoure. En bezit je dat allemaal, dan nog is het niet zeker dat je wint. Of in het geval van de Marmotte; dat je een goede prestatie neerzet. In een wedstrijd over meer dan zes uur zitten zo veel onzekerheden, dat je naast al die goede fysieke en psychische eigenschappen over iets nog veel ongrijpbaarders moet beschikken: geluk. Zie hier de magie van de wielersport verklaard aan de hand van een eenvoudige optelsom. Talent + geluk = vorm.

Goed. Genoeg theorie, nu de praktijk. De wedstrijd van woensdag wees erop dat er, in tegenstelling tot de verwachtingen, toch enige vorm van vorm aanwezig was. Donderdag was een dag van regen, die ik in zijn geheel in mijn tent doorbracht, afgezien van het autoritje naar de Alp om me in te schrijven. Vrijdag stond volledig in het teken van voorbereiding. Fiets in opperste staat van gereedheid brengen, het lichaam tot de nok toe vullen met koolhydraten, op tijd naar bed. Jezelf soigneren: toewijding. Om de teamspirit te vergroten, maakte ik met wat clubgenoten van Gaul een rustig ritje naar fietshotel Au bon acceuil, waarna we samen lunchten in Bourg. Onderweg keken we en werden we bekeken door talloze andere wielrenners. Het hele dal zinderde van de hooggespannen verwachtingen van 5000 fietsers. Waaronder de onze.

De volgende ochtend is het zover. Het is nog donker als ik opsta. De ontbijtprocedure verloopt geroutineerd. Ik ben één van de weinigen op de camping die nu al uit de veren is, maar dat doet me goed. Ik weet waar ik mee bezig ben. Voel me zelfverzekerd. Maar dan is er nog één probleem. De bevoorrading onderweg. Als ik mezelf voor in de wedstrijd wil handhaven is het noodzakelijk dat iemand me onderweg nieuwe bidons aanreikt zodat ik niet hoef te stoppen. Eén keer op de top van de Glandon en één keer op de top van de Galibier. De Glandon is bij toeval zowaar geregeld. Mijn Nederlandse buren op de camping in Allemont, waar ik de eerste twee nachten doorbracht, bleken al van plan te zijn om als toeschouwers op de Glandon plaats te nemen en toonden zich bereid om me te bevoorraden. Ik heb de bidons gisteravond bij ze afgeleverd. Jan en Vroni. Ik kreeg de indruk dat ze er nog meer over inzaten dat alles goed zou gaan dan ik. Lieve mensen.

Galibier was lastiger. Een kwestie van geluk, puur geluk. Bij de finish van de Vaujany was ik Madame Lu tegen het lijf gelopen. Madame Lu heet eigenlijk heel anders, maar ik weet haar naam niet en noem haar Madame Lu omdat ze een Luxemburgs nummerbord en een Luxemburgse landensticker achter op haar auto heeft (LU), terwijl ze eigenlijk gewoon Belgische is. Madame Lu is de trotse en wielergekke moeder van een al wat oudere zoon die nog elk jaar de Marmotte rijdt, steevast bij de eerste 100. Ze reist met hem mee naar alle wedstrijden en is gaandeweg min of meer een fan van mijn clubgenoot en multitalent Feike Loots geworden. In 2007 herkende ze Feike en bood hem (en mij) spontaan aan om de bevoorrading op de Galibier voor haar rekening te nemen. Dit jaar is Feike er niet bij, maar ze herkende mij aan mijn wielerkleding. En bood mij aan me te bevoorraden.

Nu sta ik dus - half zeven – met mijn extra bidons op de parkeerplaats van de lokale Casino supermarkt te wachten op de auto met het Luxemburgse nummerbord. De parkeerplaats staat bomvol met auto's van deelnemers en ik weet, afgezien van het Luxemburgse kenteken, niet wat voor auto het is. Staan ze al ergens? Moeten ze nog komen? Komen ze nog wel? De tijd schrijdt voort. Het is al bijna zeven uur, over een kwartier wordt er afgeschoten voor het eerste startvak. Ik begin het langzaam benauwd te krijgen. Ik krijg het idee dat mijn hele wedstrijd afhangt van het al dan niet verschijnen van Madame Lu en haar zoon. Het kost me de grootste moeite mijn zenuwen in bedwang te houden, maar dan glijdt er een grote bordeauxrode bolide het parkeerterrein op. Met Luxemburgs kenteken. En Madame Lu breed lachend achter het stuur. Ik lach terug. Mijn race is gered.

Dit is het laatste stukje geluk dat ik nodig had om vol vertrouwen te kunnen starten. Nu is het aan mezelf. Zoals gebruikelijk daalt er een grote rust over me heen als we eenmaal gestart zijn. Ik zorg dat ik in de voorste helft van het voortstormende peloton blijf rijden en maak me vooral niet te druk om al het zenuwachtige gedrang om me heen, in de wetenschap dat ik de overgrote meerderheid van de renners na de eerste kilometers van de Glandon toch niet meer terug zal zien.

De beklimming van de Glandon bestaat uit twee delen, of eigenlijk drie. Na het eerste steile stuk door het bos kom je in een dorp. Daar volgt een stuk vals plat en een korte afdaling met een paar haarspeldbochten, alvorens je richting het stuwmeer gaat. Bij het stuwmeer wordt het opnieuw vlakker, opnieuw daal je licht, waarna de laatste kilometers weer steil zijn, maar nu zonder dat je dat echt kan zien. Omdat de weg alsmaar rechtuit loopt over de kale berghelling en er nauwelijks ijkpunten zijn, zoals huizen of bomen, lijkt de weg bijna vlak.

Op het eerste deel van de klim wordt er zo hard gereden dat de voorste groep al gauw is teruggebracht tot een man of 25. Ik moet aanvankelijk vol gas geven om bij de voorkant van het peloton te komen voordat er een groep wegrijdt, en kies daarna het wiel van Sander, die op zijn beurt op sleeptouw genomen wordt door Bert Dekker. Na het dorp weet er een man of tien van achteruit terug te komen, maar die moeten op het tweede deel van de klim even snel weer lossen.

Eenmaal bij het stuwmeer lijkt onze groep een beetje stil te vallen. Ik weet dat de kopgroep in andere jaren op dit punt in de wedstrijd veel kleiner was, maar er is blijkbaar niemand die hier het initiatief wil nemen om de boel verder uit te dunnen. Wat hoogstwaarschijnlijk in mijn voordeel is. Want terwijl ik Sander en Joost, de Brabander van vorig jaar, constant op de eerste rij heb zien rijden, moet ik toch toegeven dat ik bij tempoversnellingen af en toe aan het elastiek heb gebungeld. De groep peddelt rustig voort langs het stuwmeer, terwijl de eerste zonnestralen ons over de bergkam bereiken. Het is bijna gezellig. Ik zie Bert Dekker en Veltec-kopman Michel Snel met elkaar praten, maar er gebeurt niets. Verder valt het me op dat er allemaal eenlingen in deze groep rijden; geen Italiaanse teams die elkaar het leven zuur maken. Prima.

Vanuit de verte zie ik Jan al staan in het Gaul-shirt dat ik hem gegeven heb. Hij heeft ook mijn gele petje op, dat veel te klein voor hem is. Ik pak het linnen tasje met bidons van hem aan en gooi het over mijn schouder. Het is zaak om de bidons zo snel mogelijk te verwisselen, aangezien we zo gaan dalen. Maar het tasje glijdt van mijn schouder en ik moet het over mijn hoofd trekken om grip op de situatie te houden. Zo komt het dat ik uitgerekend in de laatste twee bochten voor de top aan het worstelen ben met het tasje, dat inmiddels leeg is, maar niet goed terug over mijn gehelmde hoofd wil. Slingerend rijd ik over de weg. Bijna trek ik de helm van mijn hoofd, maar ik weet me te herstellen, gooi het tasje weg en duik de afdaling in.

De eerste renner die ik voor me zie, heeft een voorsprong van een paar honderd meter. Door het gepruts met het tasje ben ik als laatste de afdaling ingegaan, afgezien van de renners die af moesten stappen om hun bidons te vullen. Maar die tellen sowieso niet mee. Het is goed dat ik de afdaling maandag nog verkend heb, want anders moest ik nu zeer onverantwoorde risico's gaan nemen. Die neem ik nu ook wel, maar ze zijn net iets minder onverantwoord. In de aanloop naar de Marmotte heb ik me nog afgevraagd of ik als eerstejaars vader misschien bang zou zijn voor de risico's van hoge snelheden, of althans banger dan ik normaal al ben, maar dat is dus niet het geval. Zeker niet als je tegen een achterstand op de koplopers aankijkt. Verstand op nul, ogen dicht en gáán.

Eén, twee, drie man haal ik in. En nog een paar. Uiteindelijk neem ik zeven renners in mijn spoor mee. Mijn zelfvertrouwen groeit en ik daal beter dan ooit. In elke bocht loop ik opnieuw uit. Maar dat leidt onvermijdelijk tot het volgende heldere inzicht: de zeven renners achter me moeten wel de zeven slechtste dalers van de oorspronkelijke kopgroep zijn. Waar zijn de goede dalers? Hoe ik ook mijn best doe, ik krijg geen andere renners in het vizier.

Pas na de afdaling, op de lange route national door het dal zie ik in de verte de kopgroep rijden. Ze zijn te ver om hun aantal te kunnen schatten, maar het moeten er meer dan acht zijn, want we lopen niet in, ondanks het feit dat er serieus werk van de achtervolging gemaakt wordt. Dat laatste was niet helemaal mijn idee. Draaien is op zich goed, maar ik word nu min of meer gedwongen om veel te hard op kop te rijden, terwijl ik dit deel van de wedstrijd verkozen had tot eet-, drink- en herstelmoment. Met name Davide, het jonge Franse klimmertje dat eruit ziet of hij veertien is, en een lokale Franse klimgeit in het rood-wit-blauw lopen als twee bezetenen op kop te sleuren. Zijn het er blijkbaar niet mee eens dat ze in de tweede groep rijden.

Verder ben ik omringd door twee bonkige figuren in Engelse shirts, nog een Fransman, een Italiaan en een Nederlander. Ik vraag de Nederlander of hij misschien Paul Kneppers is, een Nederlander die ook altijd toptien rijdt, maar het blijkt Sjef Graafmans te zijn. Dat is grappig, want ik ben zijn naam al meerdere malen in uitslagen tegengekomen, vlak naast de mijne, maar had geen idee wie hij was. Sjef blijkt mij op dezelfde manier van naam te kennen. Dat schept een band.

Dan doemt de Télégraphe op. Normaal gesproken vind ik dit de fijnste klim van de Marmotte, of misschien is "minst zware" hier meer op zijn plaats. Nu weet ik het nog niet zo zeker. Ik ben duidelijk niet onvoldoende hersteld van de Glandon en bevind me al snel in laatste positie. En niet uit overtuiging of luxe. Ik zie af. Dat werkt demotiverend, zeker omdat ik hier vorig jaar resoluut de groep aanvoerde. Davide en Klimgeit rijden opvallend gemakkelijk, de Italiaan besluit dat het tijd is om de groep te verlaten (lijkt mij een slecht moment, met de Galibier nog in het vooruitzicht, maar goed, je bent als Italiaan nautuurlijk wel het een en ander aan je nationaliteit verplicht), een van de Engelsen demarreert en gaat om onduidelijke redenen tien meter voor de groep rijden, maar dat is okee, want Engelsen snappen nou eenmaal niets van wielrennen, en vlak voor me zie ik Sjef zwoegen.

Fraai is het niet, maar ik bijt me vast in de staart van de groep en werk me de berg op. Ik zie wel waar het ophoudt. Maar het houdt niet op. Hoewel alle tekenen in een andere richting wezen, voltrekt zich opnieuw Het wonder van de Télegraphe. Het duurt misschien wat lang, maar ik verbeter. Tegen het einde van de klim doe ik weer mee. Nee, sterker nog, met de top in zicht plaats ik een heuse demarrage. Daar zit geen enkel plan achter. De demarrage wordt me eigenlijk ingegeven door het feit dat ik hier vorig jaar ook demarreerde. De gedachtengang voltrekt zich zo'n beetje als volgt: de laatste paar honderd meter van de Télégraphe zijn net wat minder steil, ik ben blij dat de tweede berg bijna bedwongen is en ik ben blij dat mijn krachten zijn teruggekeerd, dus ik demarreer. Veel stelt het niet voor, maar ik kom als eerste over de top en begin aan de korte afdaling naar [Valbonnais].

Ik eet en ik drink, terwijl een deel van de groep weer aansluit. Maar we zijn niet compleet. Blijkbaar zijn er op de top mensen gestopt om hun bidons te vullen. Dat is hun probleem. Tot mijn verbazing ben ik opnieuw alleen als ik [Valbonnais] binnenrijd. Het zijn echt hele slechte dalers. Ik heb geen zin om alleen de Galibier op te rijden en laat de rest terugkomen. In de eerste kilometer van de Galibier volgen wat schermutselingen, met als uitkomst dat ik met de twee Engelsen een kleine honderd meter voor de rest uitrijdt. De Engelsen grijpen de gelegenheid aan om het gas open te draaien, maar zodra het steiler wordt, blijkt een van hen daar niet slim aan gedaan te hebben. Hij haakt af. De andere Engelsman, die zich na afloop voor zal stellen als Andrew, blijft heel strak één tempo rijden. Dat is op dit stuk van de Galibier uitermate gunstig. Het is hier, net als op het laatste deel van de Glandon, steil zonder dat je het ziet, en op de één of andere manier lijkt er altijd wat tegenwind te staan. Andrew rijdt een prima tempo. In zijn wiel rijd ik precies tien slagen onder mijn omslagpunt. Om een lang, technisch verhaal kort te houden: dat is goed. Het betekent dat ik energie overhoud en geen pijn in mijn benen krijg.

Ik kan wel overnemen, maar weet mezelf in toom te houden. De echte klim moet nog beginnen. En bovendien; hij wil zo graag rijden. Ik heb als ik erover nadenk helemaal niet zo veel behoefte om bij de groep weg te rijden, want dan zit ik straks alleen in de lange, winderige afdaling naar Bourg d'Oisans. Als Andrew gebaart dat ik wel eens over mag nemen, laat ik op kop demonstratief het tempo zakken. Andrew komt weer langszij en vraagt hoe het gaat. Ik maak een zielig, puffend geluid. En hij? Andrew maakt me in één of twee zinnen duidelijk dat hij met een vermogensmeter rijdt en op één vast vermogen naar boven aan het rijden is. Dat doet hij goed. We vegen de eerder ontsnapte  Italiaan op, en zelfs een geloste renner uit de kopgroep. Geen van beiden kan het nog opbrengen om bij ons aan te pikken.

Op het punt waar we de rivier oversteken en aan het serieuze deel van de Galibier beginnen, verdwijnt Andrew plotseling uit beeld. Bidons vullen, naar later blijkt. Tegelijkertijd duiken Davide en Klimgeit weer op. Natuurlijk, de lichtste mannetjes uit de groep klimmen het snelst. Maar het is eigenlijk een ideaal scenario. Nu Andrew is weggevallen, mogen zij voor mij het tempo bepalen.

Dat vinden ze niet leuk. Je maakt als rasklimmer natuurlijk weinig sier met een Hollander van 1 meter 92 in je wiel. Het duurt dan ook niet lang of ze beginnen pogingen te ondernemen om me te lozen. Het heeft een averechtse uitwerking; ik ben hier duidelijk de underdog en raak alleen maar vastberadener om ze niet meer te laten gaan. Om beurten gaan ze iets harder rijden, maar omdat ik nog steeds niet maximaal rijd, kost het me eigenlijk niet veel moeite om steeds opnieuw weer aan te sluiten. Al laat ik natuurlijk niet na om af en toe  flink te hijgen, een beetje te slingeren en moeilijk te kijken. Alsof ik wil zeggen: Jongens, toe nou, we hebben het allemaal zwaar. Sport verbroedert, toch? Maar de Fransen denken daar anders over. Helaas is het enige slachtoffer van hun strategie Davide zelf. Hij lost.

Dan wordt duidelijk dat Klimgeit niet zomaar een lokale renner is, maar de held van de streek. Toeschouwers kennen hem, automobilisten moedigen hem aan en een motorrijder waarvan ik dacht dat hij bij de organisatie hoorde voorziet hem van bidons. "Allez Nicky!", klinkt het alom. De motorrijder spoort hem aan om door te rijden, want in de verte wacht een ploeggenoot op hem. Waarschijnlijk ook uit de kopgroep gelost. Nicky's manier van klimmen doet pijn aan mijn ogen. Hij maalt een veel te groot verzet, continue staand op de pedalen, met zijn ellebogen naar buiten gebogen, handen steunend op zijn remgrepen. Hij heeft de kromme rug van een oude man en zwaait ermee van links naar rechts over de weg. Maar goed, hij zal er wel vergroeid zijn met zijn fiets, want hij doet dit al zijn hele leven. Een beetje tegen bergen op fietsen.

De ploeggenoot van Nicky sluit zich niet veel later bij ons aan. Het zou zijn jongere broertje kunnen zijn. Nog een vlieggewicht in het rood-wit-blauw. Er vindt een herhaling van de vorige scenario plaats. Franse klimmers proberen Hollandse diesel te lossen. Maar de snelheidverschillen zijn te klein. Als ik 14 kilometer per uur rijd, gaan zij met 15 per uur echt geen gat slaan dat niet te overbruggen valt. Na verloop van tijd geven ze de hoop op me ooit nog kwijt te raken. Ik wordt gedoogd, een beetje zoals een koe de vliegen rond zijn ogen gedoogd die hij toch niet kan verjagen.

De top komt in zicht, en met de top Madame Lu. Ik weet niet hoe het komt, maar ze straalt rust en vertrouwen uit. Ze staat aan mijn kant. Ze weet waar ze mee bezig is: namelijk zorgen dat ik een goede wedstrijd rijd. Ik ben blij dat het tot nu toe allemaal goed gaat en dat ik haar vertrouwen niet beschaam. Het linnen tasje glijdt dit keer moeiteloos om mijn schouder. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een man een stukje met me meerennen, naar later blijkt haar andere zoon om mijn lege bidons aan te nemen. Ja, in België weten ze wat wielrennen is.

Ik ben deze keer op tijd klaar voor de afdaling. De afdaling van de Galibier tot aan de Col de Lautaret is spectaculair. Je kan vanaf de top bijna de hele afdaling in één oogopslag overzien, maar je ziet ook haarscherp alle afgronden waar je langs raast. De weg is redelijk breed, wat het minder eng maakt. Al rijden er vandaag wel verdomd veel automobilisten. Wat hebben die hier te zoeken?

Ik verkeer nog steeds in de overtuiging dat ik vandaag een goede daler ben en besluit mijn fysieke overwicht (lees: gewicht) op de twee Franse klimmers optimaal te benutten. Ik blijf zo veel mogelijk van mijn remmen af en laat mijn fiets lopen. De snelheden schieten richting de 80, maar dat is geen probleem. Het is niet zozeer van belang om alles onder controle te hebben. Zolang je maar het gevoel heb dat je alles onder controle hebt, is het goed. Dan is ook een auto meer of minder geen probleem. De auto's moeten in de remmen voor iedere bocht; ik niet. Ik vlieg langs ze heen en snijd door de bochten, zonder één moment van twijfel. Want als het cliché ergens op van toepassing is, dan wel op het afdalen van een berg; angst is een slechte raadgever.

Na het passeren van de Col de Lautaret keert alleen het jonge broertje van Nicky terug. Niet veel later krijgen we twee onbekende renners in het vizier. Het duurt even voordat ik begrijp dat het twee renners uit de kopgroep zijn. Mijn Franse kompaan herkent ze wel meteen (ze zaten natuurlijk in zíjn groep) en wil er coûte que coûte naartoe. Het komt zowaar tot een korte Frans-Nederlandse samenwerking. Het tweetal blijkt van dichtbij ook Frans te zijn; het zijn een kleine vierkante renner met behaarde onderarmen die de 40 duidelijk al gepasseerd is en een lange slanke renner in lichtblauwe kleding, wiens verschijning ergens in mijn benevelde brein het waarschuwingssignaal 'goede renner' activeert. Olivier Nogwat.

Ik heb in het verleden regelmatig Franse renners vervloekt om hun weigerachtige opstelling bij het rouleren in groepen. Dat neem ik terug. Zo gedragen ze zich blijkbaar alleen zo als ze een minderheid vormen. Want voor de tweede keer vandaag beginnen Franse renners in mijn bijzijn als bezetenen te draaien. En voor de tweede keer vandaag heb ik daar helemaal geen zin. Dit is de afdaling van de Lautaret. Niet erg steil, veel tegenwind en met de onverbiddelijke slotklim naar Alpe d'Huez aan het einde. Hier moet je vooral geen krachten verspillen. Maar in een viertal is het moeilijk om jezelf te verstoppen. Ik kan niet anders dan meedraaien, maar probeer waar ik kan een beurt over te slaan. Normaal ben ik echt de beroerdste niet, maar er moet nu gegeten en gedronken worden. De benen moeten even wat lucht krijgen. Dat moet. Dat moet gewoon.

De motorrijder die het lokale vedettenteam ondersteunt kom naast ons rijden en meldt dat we vijf minuten voorsprong hebben op onze eerste achtervolgers. Dus blijven we draaien.

(Dit verslag, met brede penseel aangezet, is door omstandigheden nooit voltooid, maar de uitslag vertelt de rest van het verhaal. Bekijk hier de complete uitslag)