limburg1LIMBURG REVISITED
Trainingskamp Valkenburg

Fietsen in Zuid-Limburg is altijd een beetje thuiskomen. Niet alleen omdat de familie van mijn oma afkomstig is uit de streek (ze woonden op het kasteeltje Gen Hoes in Oud-Valkenburg, zoals ik niet moe wordt anderen te vertellen), maar vooral omdat ik in Zuid-Limburg heb leren fietsen. Een korte geschiedenis.

Een fietsvakantie op een ligfiets in 1999, dat was het allereerste begin. Die vakantie was niet eens mijn eigen idee, en ik reed op een geleende ligfiets, model Flevo-Bike, maar ik bleek het fijn te vinden, dat eindeloze rondmalen van pedalen door de buitenlucht. Het jaar daarop kocht ik een eigen ligfiets en reed ik moederziel alleen naar Normandië en terug. En ik vond het nog steeds leuk. Zoetjesaan doorkruisde ik heel Nederland en in 2001 besloot ik een goedbetaalde bijbaan op te zeggen voor een schamel bestaan als fietskoerier in Amsterdam. Ongemerkt werden mijn beenspieren gehard en kreeg ik de conditie van een werkpaard. Toen ik voor het eerst een heuse wielerkoers reed, tussen de trimmers op het parcours van Sloten, reed ik tot mijn verbazing meteen voorin het peloton mee.

Maar nog groter was mijn verbazing toen ik voor het eerst in Zuid-Limburg reed. Met een aantal fietskoeriers uit Amsterdam namen we deel aan de toerversie van de Amstel Gold Race. Ik liet me leiden door Mathijs, een jongen die vaker in de heuvels reed. Hij waarschuwde me voor de lelijke beklimmingen als Keuteberg ('zorg dat je voor de bocht hebt teruggeschakeld') en ging me stampend op het buitenblad voor in de afdalingen. Telkens als het omhoog ging, verdween hij uit het zicht. Dat gebeurde aanvankelijk zonder opzet. Zodra ik terugschakelde naar een lichter verzet en een prettig, gelijkmatig ritme dat mijn benen niet al te veel kwelde, begon hij uit mijn ooghoek weg te zakken. En met hem heel veel andere fietsers. Zomaar. Zonder aanwijsbare reden.

Het mooie van klimmen is dat het wielrennen in slowmotion is. Man tegen man en zo traag als dikke stront. Dat levert een helder strijdtoneel op. Je deelt een dreun uit, en als degene die jou terug wil slaan nog trager is dan jij, maaien zijn armen door het luchtledige. Iedereen is langzaam, maar de één wat minder dan de ander. In een sport die toch vooral om snelheid draait, zorgt dat voor prachtige, verstilde beelden van renners die elkaar passeren als grote, zware slagschepen. Het heeft iets hulpeloos.

Dit weekend was ik met de renners van Gaul! op trainingskamp in Limburg. In totaal waren er zaterdag bijna dertig leden, maar waar het mij vooral om ging waren de andere renners van het elite-team. Omdat we over het hele land verspreid wonen (voornamelijk Groningen en Amsterdam) had ik nog weinig kans gehad om ze te zien rijden. En zoals dat gaat, wil niemand zeggen hoe veel uren hij werkelijk getraind heeft. Het gevolg: iedereen is onzeker over de hoeveelheid trainingsarbeid de anderen in de tussentijd verzet hebben, al dan niet in het geheim. En gaat zelf nóg harder trainen.

limburg2Op vrijdag reden we met een kleinere groep een rustige duurtraining. Ik voelde me een paard dat staat te trillen om in volle galop los te barsten, maar op bevel van trainer Jabik moesten we ons inhouden. Zaterdag zou er pas serieus getraind worden. Zaterdag was de lucht loodgrijs. Toen we vertrokken was het droog, maar toen na twintig minuten de eerste lekke band zich meldde en de hele zwart-gele horde langs de weg tot stilstand was gekomen, begon het te druppen. Het druppen veranderde niet veel later in een gordijn van regen en al snel stroomde het water in beken over de smalle landweggetjes en vormden zich stroomversnellingen in de berm.

Ik had, in een overmoedige poging om beter weer af te dwingen, geen regenjack meegenomen. De temperatuur daalde in de buien tot een graad of zes, zeven. De enige manier om nog enigszins warm te worden was fietsen, heel hard fietsen. Zodra Jabik ons het rondje had gewezen waarop we onze training zouden afwerken gaf ik mijn benen de sporen.

Ondanks het slechte weer voelde ik me goed. Gelukkig maar, want dat was precies wat ik vrijdag had aangekondigd. Ik houd van een beetje overmoed. Al dat slappe, laconieke gedoe, al die excuses en die rare gewoonte om je nog voordat je op de fiets zit in te dekken, mocht je er de volgende dag afgereden worden, het mag dan bij de wielersport horen, ik vind het maar niks. 'Ik weet het niet hoor, ik was vorige week nog ziek.' 'Ik moet nog zien hoe het gaat, volgens mij heb ik deze week te iets te veel getraind.' 'Ja, op zich goed, maar de vorm is er nog niet.' Vorm. Vorm zit net zo goed in je benen als tussen je oren. Zeg dat je je goed voelt, en je voelt je goed. Als je goed bent, tenminste.

En bovendien: als iets jongetjes tot jongetjes maakt, is het overmoed. 'Hoezo-dat hek is te hoog?' 'Wat-ik kan die berg niet beklimmen?' Er was in het team wat twijfel over mijn motivatie, en bij mezelf wat twijfel over de vorm, maar die zou ik vandaag van tafel vegen. Op De Koning van Spanje, een klim met een veelbelovende naam, nam ik de kop van de groep. De eerste paar honder meter van de klim liepen erg lekker, 4 á 5 procent gok ik, en ik hield de snelheid tegen de dertig per uur zodat er niemand langszij zou komen. Daarna volgden twee korte steile stukken waarop ik mijn hartslag op een licht verzet de hoogte in joeg. Voorzover er nog mensen in mijn wiel zaten, moesten ze op het tweede stuk lossen.

We reden het rondje vier keer. Meestal kwam ik alleen boven. Alleen Jabik kon het tempo bijhouden, en gooide er af en toe nog een schepje bovenop, zodat ik op mijn beurt alle zeilen bij moest zetten om zijn wiel te houden. Jabik en ik lijken qua bouw op elkaar, maar hij is wat explosiever dan ik. Ik moet het eigenlijk hebben van langere klimmen, waarop ik de tijd heb om mijn tempo te vinden, terwijl Jabik op dit soort klimmetjes een knalhard shot in zijn benen heeft. Het stemde me gerust dat ik hem kon volgen. En dat hij af en toe moeite leek te hebben om mij te volgen.

Bovenaan de klim volgde een aantal kilometers vals plat. De wind had vrij spel op het plateau. In de Hel van het Mergelland, een goed bezette elite-klassieker, viel juist op dit stuk – dus ná de eigenlijke klim – elk jaar weer de beslissnde slag, zo had Jabik ons uitgelegd. Onze training bestond eruit op dit stuk zo hard mogelijk door te trekken. Dat deed ik dus ook. Het regenwater splijtte onder mijn banden uiteen en ik stelde me de kaarsrechte streep voor die er achter mijn achterwiel te zien zou zijn. Ik zweefde. En voelde me heerlijk.

Toen we na drie uur trainen terugkwamen was het droog. Aan het eind van de middag begon de zon zelfs te schijnen. Flink wat renners waren inmiddels gedesillusioneerd naar huis vertrokken, of zouden dat diezelfde avond nog doen. Ik bleek enkele elite-renners een flinke mentale tik uitgedeeld te hebben. Met name Dimitri, die sinds een hele goede Ronde van Groningen met problemen kampt, baalde. Dat was ook weer niet de bedoeling. En het is bij nader inzien natuurlijk ook helemaal niet leuk om drie uur in de stromende regen te rijden. En niet gezond.

Bij mij kwam de klap een paar dagen later. Op zondag was het weer – in weerwil met de voorspellingen – uiteindelijk heel erg goed. We konden met de overgebleven renners nog viereneenhalf uur heerlijk toeren en er leek niets aan de hand. Maar een virus was inmiddels tot diep in mijn longen doorgedrongen. Maandag werd ik geveld door een fikse verkoudheid die twee weken later uitgegroeid was tot een voorhoofdsholte-ontsteking. En maandagnacht overleed zonder aankondiging mijn vader in zijn slaap.

Weg vorm. En dat is zacht uitgedrukt.

 

bekijk hier het profiel van de Koning van Spanje