over wielrennen
NIET IN DIT DORP
Prix des Grand Rousses, Bourg d'Oisans, Franse Alpen
De Prix des Grand Rousses wordt traditioneel verreden op de woensdag tussen de cyclo's La Vaujany en La Marmotte. Het is een korte wedstrijd over 40 kilometer, die eigenlijk niet meer is dan een dubbele klimtijdrit. Eerst volle bak Alpe d'Huez omhoog, afdalen via Villard Réculas en dan met alles wat je over hebt de klim naar het skidorp Vaujany op.
Het is de eerste keer dat ik deze wedstrijd rijd, eigenlijk in navolging van clubgenoot Feike Loots, met wie ik vorig jaar de Marmotte reed. Ik wil kijken of ik er beter van wordt in de aanloop naar zaterdag. Toen ik in 2006 voor het eerst in de Alpen reed, maakte ik in mijn enthousiasme duidelijk te veel kilometers. In 2007 trainde ik alleen het weekend van tevoren heel hard en deed ik heel de week niets. Dit jaar reed ik op zondag de Vaujany, op maandag verkende ik de afdaling van de Glandon (die ik dus ook weer terug op moest; de achterzijde van de Glandon bleek een behoorlijke steile klim, wat meteen de moeilijkheidsgraad van de afdaling verklaart), op dinsdag deed ik zo goed als niets en vandaag moet ik dus aan de bak. Alles in een hoogst onzekere poging om zaterdag mijn tijd in de Marmotte te verbeteren.
Aan de start staat vandaag maar een man of honderd. Ik herken gezichten van zondag, maar ben me ervan bewust dat het niveau lager is dan aanstaande zaterdag, eenvoudigweg omdat een aantal renners pas op het laatste moment arriveert. Dat neemt niet weg dat alleen de echte fanatiekeling vandaag starten. De rest ligt zich ongetwijfeld te soigneren, benen omhoog, bord pasta binnen handbereik.
Ik neem een uur de tijd om warm te rijden aangezien ik geen zin heb om koud aan de eerste twee bochten van de alp te beginnen (11% gemiddeld). Vlak voor de start mik ik nog een meegebrachte flacon koude koffie naar binnen. Cafeïne heeft een gunstige uitwerking op het zenuwstel; je spieren worden beter aangestuurd, wat je in een tijdrit meer winst op kan leveren dan een dicht achterwiel. Dat is bewezen.
In dit geval is het effect averechts. Ik had de koffie helemaal niet, of wel maar veel eerder moeten drinken, want zodra mijn hartslag omhoog schiet op het eerste steile stuk komt het spul er bijna door mijn neus weer uit. Het zijn zo van die details. Ik noteer: dit soort inspanningen vereist dus duidelijk een lege maag.
Als een stel levensmoede, dol geworden frontsoldaten attaqueert het peloton Alpe d'Huez, die lelijke klim met zijn 21 haarspeldbochten. Het lijkt wel alsof er ergens een goed verborgen mitrailleurnest zit, want bij bosjes vallen de renners in volle demarrage neer. Ze sterven een vroege dood, neergemaaid. Als de rook is opgetrokken en het geweld verstomd rijd ik ineens moederziel alleen. Voor mij rijden drie renners, honderd meter daarvoor zie ik de Nederlander Sander Smits. Naar wat zich nog voor hem bevindt kan ik alleen maar raden. De kopgroep, ongetwijfeld. Met daarin Bert Dekker, immer rondmalend op zijn 23, ongetwijfeld.
Ik ben een avondmens. Dat in aanmerking genomen gaat het – 9 uur 5, Alpe d'Huez, bocht drie – zo slecht nog niet. Ik vind een ritme dat exact gelijk blijkt te zijn aan de groep van drie voor mij. Zij lopen niet uit, maar ik loop ook niet in. Tergend langzaam kruipen de kilometers voorbij. Ik weet, of doe althans mijn best om het te beseffen, dat deze klim maar veertien kilometer lang is en dat ik er niet langer dan 47 minuten over zal doen. Maar mijn lichaam heeft geen besef van tijd en geen besef van afstand. Het kent alleen maar pijn. Negatieve dwanggedachten vullen mijn verhitte schedel. Wat doe ik hier? Ik ben verdomme 1 meter 92, ik ben helemaal niet gemaakt om steile bergen op te fietsen. Ik hoor hier helemaal niet te zijn. Het ziet er ook niet uit, dat vierkante gehark van mij. Het voelt niet soepel, het oogt niet soepel, het ís niet soepel. En dan de onvermijdelijke gedachte: ik stop per direct met dat maniakele gefiets. Of althans, per vandaag, dat wil zeggen na deze koers, want ik kan nu natuurlijk niet afstappen. Dat wil ik wel, maar dat kan gewoon niet. Ik maak af waar ik aan begin, zo ben ik opgevoed.
Dan komt er ineens een moment waarop ik besluit naar het drietal voor me toe te springen. Ook al rijden we niet harder dan zo'n 15 per uur, ik zie dat zij kop over kop rijden, terwijl ik hier in mijn eentje zit. Het kan niet anders of er valt voordeel te behalen door bij mijn voorgangers aan te sluiten. Ik herinner me van zondag dat het enkele kilometers voor de top even wat vlakker (lees: minder steil) wordt en ik gebruik deze strook om naar de drie renners toe te rijden. Piepend en krakend kom ik aan, zodat ik meteen mijn aanwezigheid verraad. Die wordt door het drietal niet op prijs gesteld. Eén van hen begint harder op kop te rijden en voor ik het weet rijd ik opnieuw honderd meter achter het drietal.
Het is op een berg heel simpel; als je al maximaal rijdt, is elke extra inspanning er één te veel. Hoe je het ook wendt of keert, vroeg of laat zal die inspanning je opbreken. Dat wist ik natuurlijk al langer, maar nu ervaar ik het weer, en ik zal het later vandaag nog een keer ervaren.
Boven in het dorp onderneem ik een nieuwe poging om me bij het drietal aan te sluiten. Ik ben blijkbaar van mening dat dat erg belangrijk is. We gaan zo de afdaling in en omdat ik geen goede daler ben, is het meerijden in een snelle groep mijn enige mogelijkheid om geen tijd te verliezen. Het drietal versnelt in het dorp echter evenzeer als ik, zodat er niets aan mijn situatie verandert. Wel zie ik op mijn teller dat ik mijn tijd op Alpe d'Huez (2006; voet tot drinkbak in 47 minuten) verpulverd heb. Net geen 44 minuten. Het is zowel een verzachting als een verklaring van de pijn.
In het eerste deel van de afdaling haal ik tot mijn grote verbazing twee van de drie voorlopers in. De tweede duikt in mijn wiel mee en samen met hem (een jonge knul die later net zestien blijkt te zijn) rijd ik over de smalle richel richting Villard Réculas. Ik wil het stukje gebruiken om op adem te komen, maar de junior heeft volop aspiraties en ramt vol door op het buitenblad, ook als het even omhoog gaat. Hij wil dat ik overneem. Ik neem de kop, maar peddel wat halfslachtig voort. Dat vindt hij niet leuk. Hij demarreert uit mijn wiel. Dat is niet slim. Ik houdt hem gemakkelijk bij en heb nu alle reden om voorlopig niet meer over te nemen.
In het tweede deel van de afdaling blijk ik opnieuw de betere daler. Zodra het even minder steil wordt begint de junior weer op zijn buitenblad te rammen. We halen Sander in, die niet bekend staat om zijn goede daaltechniek. Vorig jaar raakte ik in de Marmotte bijna mijn groep kwijt omdat ik in zijn wiel aan de afdaling van de Glandon begon. Toch weet hij op het vlakke stuk langs het stuwmeer van Allemont weer bij ons aan te sluiten. Gedrieën pikken we de derde man van het eerdere drietal op, die van ons vieren klaarblijkelijk de beste daler was en nu in zijn eentje vol tegen de wind in moet rijden.
We zijn nog niet aan de klim naar Vaujany (vijf kilometer á 10%) begonnen, of een Vlaamse toeschouwer roept ons toe dat we voor plek vijf rijden. Dat is een meevaller. Ik krijg er zowaar weer zin in. Ik blijk de eerste klim bovendien goed verteerd te hebben. Dat biedt perspectief voor aanstaande zaterdag. Wat volgt is een steekspel tussen Sander en mij en de twee Fransen, die elkaar eveneens blijken te kennen. Halverwege de klim van vijf kilometer krijg ik als ik achterom kijk de indruk dat de twee Fransen slecht zitten. Ik voer het tempo op en inderdaad, alleen Sander kan volgen. Sterker nog, Sander neemt over en voert het tempo nog verder op. Ik kan niet volgen. De twee Fransen sluiten aan, terwijl Sander op een meter of vijftig voor ons blijft hangen.
Meer eerste impuls is om alles uit de kast te halen en naar Sander toe te rijden. Maar dan neem ik waarschijnlijk de Fransen mee, en dat gun ik ze niet. Liever zie ik Sander vijfde worden. Ik houd mijn benen stil en geef de Fransen te kennen dat zij het zullen moeten doen vandaag. Ik krijg dezelfde reactie als eerder; ze beginnen om beurten bij me weg te demarreren. Oei. Mijn klimmerscapaciteiten reiken niet veel verder dan in één strak tempo een berg oprijden. Ik heb een vast ritme nodig, zoals je dat in vlakke tijdritten hebt. Twee trappen per ademteug, zoiets. Nu moet ik telkens naar één van de twee weggereden Fransen toespringen, zo snel mogelijk weer op adem zien te komen en dan achter de volgende demarrage aan. Maar – wonder boven wonder – het lijkt erop dat ik daar vandaag mee weg kom. Ja, warempel, het lijkt of de twee Fransen veeleer elkaar aan het uitputten zijn dan mij.
Demarreren op een berg leidt überhaupt niet tot een snellere beklimming. Dat blijkt wel, want Sander, die gewoon één tempo aanhoudt, heeft nog steeds zijn vijftig meter voorsprong. Als eindelijk de eerste huizen van Vaujany in zicht komen neem ik een radicaal besluit. Nu is het mijn beurt voor een demarrage. Ik haal alles uit de kast, schakel van mijn 27 naar mijn 21 en sprint bij de verbaasde Fransen weg. Het is misschien wat vroeg, maar als ik flink op mijn tanden bijt moet ik de teller tot de finish op het dorpsplein toch rond de 18 tot 20 per uur kunnen houden.
Alles wijst erop dat mijn plan gaat slagen. Er is maar één probleem. Er hangt in het dorp geen finishdoek. Niet in dít dorp tenminste. Is dit wel het goede dorp? Heb ik me vergist? Nee, mijn teller zegt dat ik veertig kilometer gereden heb, dus dit zou het einde moeten zijn. Maar ik zie Sander stug doortrappen, dus we zullen nog wel een stukje verder moeten. Maar hoe ver? Ik heb geen idee. Ik tast volledig in het duister en dat nekt me. Mijn uiterste krachtsinspanning is volstrekt nutteloos gebleken en ik kan me niet meer opladen om boven mijn omslagpunt te blijven rijden.
Ik val stil. Een van de Fransen komt langszij en ik, ik laat hem begaan. We finishen uiteindelijk twee kilometer verder, in Vaujany-la-Vilette. Had iemand me wel eens mogen vertellen. Sander wordt vijfde, ik zevende. We zitten nauwelijks vier minuten achter winnaar Bert Dekker, de Enige en de Eeuwige, die dit jaar zal bewijzen dat hij nog lang niet afgeschreven is.
Bekijk hier de complete uitslag