POKEREN MET VARIABELEN
Trainingskoers Dordrecht

Eigenlijk tellen trainingskoersjes niet mee. Ze zijn in de eerste plaats bedoeld om te trainen. Alle categoriën rijden er door elkaar, de helft van de deelnemers is niet eens van plan om te winnen en de zwaarte van de koers is geheel afhankelijk van de opkomst. Maar winnen geeft nou eenmaal altijd een kick. Vooral in het wielrennen, waar de kans op winst wel heel gering is: één gedeeld door het aantal renners in het peloton om precies te zijn. Kan je goed sprinten, dan is die kans gemiddeld genomen misschien wat groter; ben je een absolute anti-sprinter, zoals ik, dan ben je in Nederland gewoon de lul.

Nou was de opkomst deze dinsdag redelijk goed te noemen. Ik ken niet zo heel veel renners van gezicht, maar als ik me niet vergis stond zo'n beetje de hele eliteploeg van De Mol aan het vertrek. Het tempo lag hoog en al gauw lieten mijn benen weten er vandaag niet zo veel zin in te hebben als de zondag ervoor. Ik besloot voor een keer niet als een imbeciel met mijn krachten te smijten, maar een gedetailleerd strijdplan op stellen en me daar – kost wat het kost – aan te houden. Want, zoals ploegmaat Seppe me uitlegde, dat is noodzakelijk om meer koersinzicht te krijgen. Trainingskoersen zijn er niet alleen om fysiek sterker te worden, zoals ik altijd dacht.

Ik reed vandaag op mijn hagelnieuwe, hagelwitte Canyon frame. Bij sommige fietsen ben je een eeuwigheid aan het afstellen voordat je de juiste positie hebt, maar op dit frame zat ik meteen goed. Het frame voelt licht en wendbaar aan, het is erg stijf, maar tegelijkertijd ook erg comfortabel. Bovendien leidt een nieuwe fiets tot verhoogde ijdelheid, wat je altijd een paar procent extra vermogen oplevert, zeker de eerste paar ritjes. Met mijn twee vorige nieuwe fietsen won ik de eerste koers die ik ermee reed. Het is een mooie traditie, maar als ik heel eerlijk was moest ik toegeven dat die vandaag waarschijnlijk een vroegtijdige dood zou sterven.

Een plan dus. Ik zou de hele koers attent voorin meerijden, niet met elke onstnapping proberen mee te springen, maar wachten tot anderen het gat zouden dichten. Als ik al in beweging zou komen, was het om eens een ferme jump te proberen en in mijn eentje naar een eventuele kopgroep toe te springen. Dit deed ik een paar keer, waarbij ik zelfs de topsnelheid van 58 per uur aantikte, maar helaas was mijn acceleratievermogen nog steeds niet van dien aard dat ik alleen bij de kopgroep arriveerde. Meestal bevond het halve peloton zich nog in mijn wiel.

Toen na 50 minuten de nieuwelingen moesten afsprinten viel het in het peloton helemaal stil. Bij mijn weten was er nog niemand vertrokken. Ruim een halfuur later was er in die situatie weinig veranderd. Het werd tijd voor een plan voor de finale. In een massasprint ben ik kansloos. Ik besloot om een korte solo voor het peloton uit te wagen. Nog vijftien minuten voor we de laatste drie ronden ingingen. Dat was te lang. Voorin ondernam de ene renner na de andere een ontsnappingspoging. Ik moest mezelf met alle macht inhouden om me niet in het strijdgewoel te mengen.

Op het rondebord stonden nog steeds die vijftien minuten. Waarschijnlijk vergat de jury het bordje met de tien minuten om te draaien, want ineens waren er nog maar vijf over. Vanaf nu mocht ik vertrekken. De beste plek om aan te gaan was kort voor het heuveltje in het parcours. Daarna volgen een paar bochten, waardoor je kans hebt om snel uit het zicht van de achtervolgers te raken. Het lot besliste anders. Aan het einde van de lange, brede finishstrook draaiden we linksom vol de wind in. Ik zat in tiende positie en opeens leken onvermoeibare aanvallers een moment zonder adem te zitten. Even viel het stil en ik trok mezelf zo hard als ik kon in gang. De teller liep naar de 53 in het uur. Hopelijk was het hard genoeg.

Pas een halve ronde later keek ik om. Ik had een gat, maar erg groot was het niet. Ik kon de verbeten trekken op de gezichten van de eerste renners achter mij nog zien. Dat betekende niet veel goeds. Aan de andere kant; de drie laatste ronden waren inmiddels ingegaan. Blijven rijden, hield ik mezelf voor, je weet nooit wanneer ze stilvallen.

Nog een ronde later zag ik ineens vier renners voor me rijden. Eerst dacht ik dat het een achtervolgende groep áchter het peloton was, want erg hard gingen ze niet. De bezetenheid waarmee ze koersten wees echter op iets anders; dit was de kopgroep. Later hoorde ik dat ze al meer dan een half uur voor het peloton uit hadden gereden. Op kousevoeten sloot ik aan. Ze leken me niet eens op te merken, zozeer gingen ze op in hun strijd tegen het peloton. Want dat begon ons inmiddels van achteren te naderen. Een groep renners die kop over kop voortjagen en als een grote golf alles verslinden wat zich op hun weg bevindt.

Zo lang mogelijk hield ik me gedeist achter de vier koplopers. Ik profiteerde van de zuiging om op adem te komen en smeedde een nieuw plan. Ik ging winnen. Ik zou wachten tot de laatste ronde, op het heuveltje aangaan en de vier anderen in een hele lange sprint achter me laten. In de laatste ronde begonnen de vier echter zenuwachtig achterom te kijken. De twijfel sloeg toe. Halen we het of worden we net voor de streep ingelopen? Het mechanisme stokte. Ik besloot me van mijn beste kant te laten zien om de hoop levend te houden. De groep moest hoe dan ook tot de heuvel bij elkaar blijven om mijn plan te laten slagen. Ik deed twee of drie korte beurten op kop, waarbij ik slechts een fractie van mijn kracht gaf. Het peloton kwam dichter en dichter, de zenuwden gierden door mijn lijf, maar ik wist mezelf in te houden. Nog even, nog heel even.

Voor het eerst viel alles op zijn plek. Het peloton zat minder dan honderd meter achter ons toen we het heuveltje opreden. Ik zat in het laatste wiel, zodat ik ongezien mijn aanval in kon zetten. Ik gaf alles wat ik had. De vier koplopers bleken al helemaal leeggereden te zijn en konden niet eens meer reageren. Bovenop de heuvel schakelde ik op en ik hield de snelheid steeds boven de 46. Ik kwam alleen over de streep met een sprintend peloton in mijn kielzog. Wat was dit gaaf! Voor de allereerste keer klopte ik het peloton niet op uithoudingsvermogen, maar op tact. Nou ja, tact. In het wielrennen blijkt tact toch vooral uit opportunisme te bestaan. Pokeren met variabelen. Zo lang mogelijk wachten met je kaarten op tafel te leggen. En dan maar hopen dat je goede kaarten hebt.