EERSTE WINST 2008
Voorjaarscompetitie Dordrecht

Zo. De eerste winst is binnen. Ik ben dit seizoen al vroeg begonnen met het rijden van trainingskoersjes. Al in januari stond ik met dik honderd andere idioten aan de start op het parcours van De Mol in Dordrecht. Ik weet niet wat het is, maar het lijkt wel of alle wedstrijdrenners juist in de eerste maanden van een nieuw wielerseizoen op hun fanatiekst zijn. Is het alleen maar enthousiasme over het feit dat de lange winterstop voorbij is, of komt de bewijsdrang vooral voort uit onzekerheid over de vorm, wat bij mij het geval is? De één heeft nog meer getraind dan de ander, en zelf krijg je steeds sterker het vermoeden dat je in de wintermaanden te weinig hebt gedaan, wat er onvermijdelijk toe zal leiden dat de prestaties dit jaar tegen zullen vallen. Dus demarreer je nog maar eens, om jezelf van het tegendeel te overtuigen.

Het vroege koersen heeft er bij mij toe geleid dat ik nu al in een vorm verkeer die ik normaal gesproken pas over een maand of twee bereik. Dat ontdekte ik vorige week, eveneens op het parcours in Dordrecht. Ik reed in een kopgroep van een man of acht. We hadden een geruststellende voorsprong en om mij heen zag ik hoe de harde wind zijn tol begon te eisen. Zelf voelde ik me prima. Ik deed netjes mijn werk op kop, maar mijn hartslag bleef daarbij binnen de marges van een intensieve duurtraining. Dat betekende dat ik nog flink wat overhad. Bovendien werd ik in de kopgroep vergezeld door twee andere renners van mijn club Gaul!, Danny Bekker en Klaas van Uden. Waarom zou ik vandaag niet gewoon winnen?

Het mocht niet zo zijn. In een moment van onoplettendheid reden enkele ronden voor het einde drie renners weg, waaronder Danny en lokale vedette Robert de Poel. Een vierde renner ondernam een poging om het gat in één ruk te dichten; ik trachtte zijn wiel te pakken maar moest toezien hoe hij meter voor meter op me uitliep. Ik ben niet explosief genoeg. Op een meter of vijftig van de groep bleef ik steken. Koppig als ik ben, weigerde ik me terug te laten zakken en mijn plaats in te nemen tussen de verslagenen. Ik zette mezelf in tijdrithouding en zocht een aanvaardbaar tempo. Mijn hartslag liep op naar de kritieke grens van 170, maar tot mijn vreugde liep ik langzaam in op de vier koplopers. Het werd vooral een mentale strijd, want toen ik op tien meter genaderd was, werd mijn aanwezigheid opgemerkt door een van de vier, die er nog eens een flinke snok aan gaf. Ik hoopte dat Danny me misschien zou opwachten, maar uiteindelijk bleek ik meer steun te krijgen van zijn ouders, die me bij de finish aanmoedigden vol te houden. Een tweede keer moest ik het gat zien te dichten, wat me pas in de laatste ronde lukte. Door een reeks stommiteiten in de resterende anderhalve kilometer en twee verzuurde benen werd ik uiteindelijk vierde, wat de hele inspanning met terugwerkende kracht vrij zinloos maakte.

Achteraf overheersten zowel teleurstelling als tevredenheid. Teleurstelling omdat ik vandaag welbeschouwd had kunnen winnen. De solo van vijf ronden die nu àchter de had verreden, had ik met wat meer zelfvertrouwen ook voor de kopgroep uit kunnen rijden. Aan de andere kant was ik ook tevreden. Verbaasd dat ik nu blijkbaar al de benen had om het in mijn eentje op te nemen tegen een samenwerkende groep van vier renners.

Deze zaterdag kwam dus de revanche. Blakend van zelfvertrouwen stond ik aan de start. Nieuwe kleding, geschoren benen en bovendien voor het eerst op mijn nieuwe zwart-gele Museeuw-frame. Zo op het oog was er vandaag niet zo veel concurrentie. Het enige punt van onzekerheid was de zware duurtraining van 140 kilometer die ik de dag ervoor had afgewerkt. Het plan was duidelijk; mezelf in het eerste uur zo veel mogelijk sparen en het laatste uur proberen weg te komen voor een fraaie solo.

Natuurlijk werkte het plan niet. In het relatief kleine peloton van 30 tot 40 renners bevonden zich te veel pannenkoeken. Daardoor werd er niet in één hoog tempo gereden, maar viel de snelheid steeds opnieuw terug naar 35 in het uur. Er ontstaat dan een patroon van hollen en stilstaan; iemand met goede benen plaatst een splijtende demarrage, de rest wacht tot een ander het dichtrijdt, het hele peloton volgt, alles komt weer samen en het tempo zakt weer tot een nieuwe demarrage volgt. Enzovoort. En als er bij toeval al eens een kopgroep ontstaat, is er altijd wel weer een onverlaat die net genoeg kracht heeft om de sprong vanuit het peloton te maken, maar vervolgens niet kan meedraaien in de kopgroep en daardoor het mechanisme totaal ontwricht.

Ik heb een grote hekel aan deze manier van koersen. Vandaag richtte mijn ongenoegen zich op twee identieke renners in een Mol-tenue van een tiental jaren terug. Kleine mannetjes met dikke dijen op kleine Giant-fietsjes. In welke samenstelling ik ook ontsnapte uit de buik van het peloton, het duurde nooit lang of één van de twee dikkertjes kwam met veel machtsvertoon aanzetten om daarna heel hard stil te vallen. Op een gegeven moment kon ik me niet meer inhouden. 'Aan jou hebben we ook niet veel hè', voegde ik één van hen in al mijn goede fatsoen toe. Terwijl ik eigenlijk bedoelde: 'Hé, sukkelaar, waarom neem je niet lekker een B-licentie, zodat je een beetje mee kan komen? Worden we alletwee beter van!'

Door het rommelige koersverloop lukte het niet om me een uur lang koest te houden. Na een kleine drie kwartier was ik al druk in de weer om te onsnappen uit de wurggreep van het peloton der middelmatigen. Ik moest hier weg. Aanvankelijk voelde mijn benen wat zwaar aan, maar het duurde niet lang tot het wonder der recuperatie zich voltrok. Ik heb het vaker meegemaakt, maar het verbaast me elke keer weer. Je benen voelen zwaar en dik, je hartslag wil maar niet omhoog en denkt niet dat het nog wat wordt. Maar dan wordt je plotseling gedwongen om vol gas geven; je hartslag schiet toch naar de 170 en – het gekste van alles – het voelt nog lekker ook. Toen ik eenmaal de smaak te pakken had, bleef ik demarreren. Werd ik teruggepakt en lieten die piemels het tempo weer stilvallen? Dan ging ik gewoon weer. Mijn nieuwe fiets fonkelde in het eerste lentelicht en ik snoof de geur van de warmer wordende aarde diep in me op. Dit is de koers op zijn best. Als je zo sterk bent als je je voelt.

Met een handvol renners, waaronder Klaas met zijn overdreven veel geluid producerende high-tech carbonwielen, bleven we aan het peloton rukken en trekken tot er achteraan renners begonnen te lossen. En, belangrijker nog, tot ook de sterkere renners wat vermoeid begonnen te raken. Zo kon het gebeuren dat ik eindelijk de ruimte kreeg om in mijn eentje weg te rijden. Ik zag in mijn ooghoeken dat Robert de Poel voor de zoveelste keer op de twaalf een gat op mij en Klaas kwam dichten. Hij zou minstens tien tellen nodig hebben om op adem te komen. Die tien tellen ging ik benutten om een aardige voorsprong op te bouwen.

Ik heb geleerd dat je voor een solo het beste heel rustig kan vertrekken. Op kousevoeten. Als je met 55 in het uur wegspringt, maak je zo veel indruk op de achtervolgers dat iedereen met je mee wil. Rijd je rustig met 40 in het uur weg, dan denken ze je toch niet sterk genoeg bent om alleen vooruit te blijven. Je krijgt zo maar twintig meter en trekt jezelf dan pas goed in gang. En weg ben je.

In theorie althans. In werkelijkheid moest ik de laatste vier ronden alles geven om mijn voorsprong te behouden 'Dit kan je',  zo praatte ik op mezelf in. 'Dit is wat je wilde, dus nu moet je het doen ook.' Tijdrijden is vooral een mentale aangelegenheid, dus is het noodzakelijk om jezelf te blijven motiveren, vooral op de moeilijke stukken – tegen de wind in of heuvelop. 'Je gaat winnen, de eerste koers op je nieuwe fiets, net als de eerste koers met je nieuwe Principia bij de trimmers op Sloten in 2005, maar dan moet je nu wel blijven rijden.'

Achter me gaven ze het op. Ik verdween uit het zicht en hield op de streep een ruime marge van 30 seconden over. Klaas sprintte nog knap naar een vijfde plaats, waardoor we alletwee zeer voldaan naar huis gingen. Natuurlijk, het is maar een trainingskoers, maar voor de moraal is het van levensbelang om ieder seizoen toch tenminste één keer te winnen. En aangezien ik dit seizoen mijn debuut maak bij de elite heb ik van de reguliere klassiekers en criteriums weinig te verwachten. Wie weet win ik ooit een cyclo. Als ik groot ben. Op een dag.