PRECIES 125kerspelen
Omloop van de Kerspelen, Drogeham

Dit weekeinde rijd ik twee klassiekers achter elkaar. Zaterdag de Omloop van de Kerspelen in Friesland, zondag de Theo Koomen Plaquette in de kop van Noord-Holland. Twee mogelijkheden om me te bewijzen in het elite-peloton. Het zal niet mals zijn om twee dagen achter elkaar 160 kilometer volle bak te moeten rijden, maar ik heb goed getraind, wekelijks duurtrainig plus twee trainingskoersjes na elkaar, en de vorm is in orde. Het slaapgebrek van de laatste week (kleine June is ziek) laten we voor het gemak maar even buiten beschouwing.

De eerste twintig kilometers in mijn eerste grote klassieker vielen mee. Dat is in deze omloop ook het geval. We rijden zes rondjes van 25 kilometer en een slotronde van tien. Die slotronde zal ik niet meer meemaken. De snelheid ligt wat hoger dan bij de amateurs A, maar het valt me op dat er in het peloton beter gereden wordt. Netter. Misschien kunnen de renners op dit niveau beter sturen, of zijn ze gewoon beter opgevoed door hun moeders. Ik weet het niet. De wegen zijn soms erg smal, maar er zijn deze keer nauwelijks idioten die proberen door de berm naar voren te komen, of die bochten afsnijden door het gras.

Mooi. Dit kan ik wel aan, denk ik nog. Al snel wordt duidelijk dat dit niet het tempo is waarin we de koers gaan uitrijden, gezellig met zijn allen. Op de achterkant van het parcours heeft de forse westenwind vrij spel. Het peloton wordt op een lint getrokken, zodat niemand nog achter de rug van zijn voorganger beschutting kan vinden. Op de kant. Ineens blijk ik kilometers achter elkaar tegen de vijftig te moeten kunnen rijden – vol in de wind. Dat kan ik helemaal niet. Tenminste, niet zes ronden achter elkaar. Ik blijk de hardheid van deze koers onderschat te hebben.

"Houd Folkert en mij in de gaten, en zorg dat je voorin blijft rijden", zo luidde het advies van Jabik voorafgaand aan de start. Ik had alleen dat eerste gedaan, voornamelijk omdat Folkert zo'n fijn opvallende gele helm draagt. Ik zorgde steeds dat ik Folkert ergens voor me had, en omdat Folkert op zijn gemakje achterin het peloton reed, reed ik ook op mijn gemakje achterin het peloton. Hij zou het toch wel weten, of niet soms? Onze bijna-prof en kopman, vorig jaar nog goed voor een tiende plek in Olympia's Tour.

Maar in ronde drie brak het peloton. Waar was Folkert? Daar, vlak voor mij. Met lede ogen zag ik hem aanzetten en met opvallend veel gemak in zijn eentje het gat naar het voorste deel van het peloton dichtrijden. Juist. Om mij heen begon de ene renner na de andere hetzelfde te proberen. Er volgde een serie korte rushes, die allemaal na luttele honderden meters in de wind doodbloedden. De samenwerking was ver te zoeken. Voor mij viel Dimitri compleet stil. Ik suisde hem voorbij in de hoop dat hij aan zou pikken, maar waarschijnlijk was de motor oververhit. Ik wilde nog wel op hem wachten, maar de drang om te overleven was sterker.

Toen de meeste renners hun doodsstrijd begonnen op te geven, bevond ik me in een groep van zes waar men blijkbaar wel wilde werken. Kop over kop en diep in het rood joegen we op de staart van het peloton. Het duurde ruim tien kilometer voordat we konden aansluiten. Daar ging mijn voornemen om zo veel mogelijk energie te sparen voor de finale, of – bij uitval – voor de koers van morgen.

Iedere volgende ronde worstelde ik achterin het peloton. Ik was een zwemmer die te ver van de kust is afgedwaald. Ik maaide met mijn armen en schopte met mijn benen om te blijven drijven, maar verzwakte zienderogen. Ik zat in een vicieuze cirkel die onvermijdelijk tot mijn einde zou leiden. En ik wist het. Ging het op de kant, dan reed ik mezelf het snot voor ogen om niet gelost te worden. Vertraagde het tempo iets, dan had ik niet de energie om naar voren te rijden, waardoor de hele ellende na enkele kilometers weer van voren af aan begon.

Zo belandde ik in ronde vijf ondervermijdelijk in de mongolenwaaier. ("Mongolenwaaier; een groep geloste renners die zwalkend achter het echte peloton aanrijdt, zij die de moed verloren hebben en, niet meer in staat tot enige vorm van samenwerking, onvermijdelijk uit koers genomen zullen worden.") Het licht in mijn ogen begon te knipperen, wat nooit een goed teken is. Tot mijn verbazing hoorde ik de stem van Jabik. Luid vloekend sommeerde hij mij, en alle andere pannenkoeken die hier nog rondreden, om de achtervolging in te zetten. "Rijden, godverdomme! Godverdómme!" Ik deed nog enkele halfslachtige trappen op kop, maar het was een verloren zaak. Van de dertig renners om me heen waren er misschien vijf die bereid waren om mee te werken. De rest was al gebroken. Het was een verloren zaak.

Het tempo zakte naar 35 per uur. Het moment dat we uit koers genomen zouden worden naderde. Ook ik brak. Ik overwoog serieus om af te stappen, aangezien ik mijn krachten (of wat daarvan restte) beter voor morgen zou kunnen sparen. We passeerden de finish, maar vreemd genoeg reed iedereen door. Niet meer in staat om zelfstandig rigoreuze beslissingen te nemen, volgde ik braaf. Enkele honderden meters verder werd het besluit alsnog voor mij  genomen. Ik had bij de ravitaillering een etenszakje weten mee te grissen; vraag me niet waarom, misschien om dat ook eens geprobeerd te hebben. Ik deed een greep in het zakje en kwam een knijpgelletje tegen. Blind kneep ik het leeg in mijn keel. Waarop mijn keel op zijn beurt dichtkneep van de acute zoetheid van het spul. Plotseling kreeg ik geen adem meer en had ik geen andere keus dan af te stappen, zwaar hyperventilerend en "water, water.." hijgend tegen de stoppende ploegleiderswagen.

Ik peddelde terug naar de finish. Het speet me niet. De knijpgel was mijn lekke band geweest, de lekke band waar iedere renner wel eens op hoopt, zoals Tim Krabbé ergens beschrijft. Wat wel wrang was, was dat mijn mongolenwaaier een uurtje later gewoon finishte, met een slappe sprint voor plek 35 tot en met 55. Ik had dus zonder al te veel moeite uit kunnen rijden. Shit. Op mijn teller stonden ondertussen 125 afmattende kilometers. Precies de lengte van een amateur-A koers. Geklopt op waarde. Er viel nog veel te leren. Morgen bijvoorbeeld.

De wedstrijd werd gewonnen door schaatser Sven Kramer. Dat zou maandag landelijk sportnieuws blijken te zijn. Ik had hem eerder al zien rondrijden, continue malend op de twaalf. Op dezelfde manier wist hij de sprint van een groep van vier te winnen, waarin ook kopman Folkert zich bevond.

Nou kan je het als een blamage beschouwen dat een schaatser eventjes een wielerwedstrijd op hoog niveau wint, maar daar valt wel het een en ander op af te dingen. Sven Kramer is namelijk een prof. Hij krijgt betaalt om zijn lichaam langzaam in een nietsontziende machine om te bouwen. Sterker nog, hij kan er een mooie, snelle auto van kopen.

Wij zijn geen profs. We proberen als profs te leven, en sommigen jonkies hopen op een goede dag ooit prof te worden, en we proberen onze lichamen wel tot machines te maken, maar we krijgen er niets voor terug. Sterker nog, het kost ons veel. Heel veel geld, geld en tijd en energie. Maar aan de andere kant; Sven Kramer zou nog willen winnen als hij moest voetballen tegen zijn kleine neefjes. Wij kunnen tegen ons verlies.