DE HOLLE MAN
Marmotte 2007
De wekker gaat om 4 uur 45 in de ochtend. Het is net begonnen te schemeren en nog niet bijster warm buiten. Wippend op mijn tenen om een beetje op temperatuur te blijven prop ik zodra ik de tent uit ben meteen drie prefab pannenkoeken met jam naar binnen. Niet te veel en vooral ruim op tijd voor de start, want de ervaring heeft geleerd dat het lichaam ’s ochtends niet goed presteert met terugkerende ontbijtresten in de slokdarm.
Ik sta op de camping in Bourg d’Oisans aan de voet van de Alpe d’Huez met clubgenoten Mark en Feike. Mark heeft de Marmotte nog nooit gereden en is nog vol goede moed. We hebben geprobeerd om hem uit te leggen dat de Marmotte zwaarder is dan je je kan voorstellen, ook als je je iets loodzwaars voorstelt, maar tevergeefs. Feike, die eerder al eens als vijfde eindigde in deze cyclo, bereidt zich met een haast zakelijke toewijding voor op de wedstrijd. Van hem heb ik gisteren nog wat laatste tips gekregen om mijn prestatie te optimaliseren. De belangrijkste: eet de avond te voren extra zout en begin pas vlak voor de start weer met drinken. Op die manier voorkom je dat je tijdens de wedstrijd af moet stappen met kramp en of met een overvolle blaas. Hoe weet hij dat soort dingen?
Het is fijn om naar de start te peddelen met Feike. Hij weet maar hij mee bezig is. Hoe laat we in het startvak moeten gaan staan. Wie de renners zijn waarop gelet moeten worden. Waar de koers zal exploderen. Hij kent veel van de deelnemers in het eerste startvak en heeft zelfs mensen (moeder en vriendin van-) weten te charteren om ons bidonnetjes aan te reiken op de Glandon en de Galibier. In ruil daarvoor neemt mijn vriendin, die mee is versterking van de moraal, ook hun bidons mee de Galibier op. Ik hoop dat ik ze allemaal op tijd zal ontwaren langs de kant van de weg, want anders kom ik zonder drinken te zitten. En dat is funest, zoals ik eerder dit jaar in een koers in de Vogezen heb ervaren. Terwijl ik in de remmen kneep om mijn bidons te vullen, reed de rest van mijn groep zonder blikken of blozen door. Een energieverslindende achtervolging was mijn lot.
Om kwart over zeven klinkt het startschot. Er is dit jaar besloten om het eerste startvak een halfuur voor de rest van de deelnemers te laten vertrekken. Daarmee erkent de organisatie officieel dat de Marmotte niet alleen een monstertoertocht voor liefhebbers met dure fietsen en compact crankstellen is, maar ook een prestigieuze wielerkoers voor de beste onder hen. Ik ben blij dat ik in het eerste startvak sta, en niet, zoals Mark, ergens temidden van de bijna zevenduizend koppen tellende massa die zich vanaf de start als een eindeloze slang Bourg d’Oisans inslingert. Tot zeker acht uur vanavond zullen ze omhoog kronkelen tegen de Alpe d’Huez.
Meteen na het startschot schiet het peloton in volle gang. Met een noodgang gaat het naar de voet van de Glandon, de eerste col die we op deze lange dag te verwerken krijgen. Ik zorg dat ik zonder al te veel energie te verspillen bij de eerste honderd renners blijf rijden, me onderwijl afvragend wat de motieven van de renners zijn die dit peloton vooraan zijn snelheid geven. We rijden continue tegen de vijftig. Waarschijnlijk zijn ze zo direct de eersten die moeten lossen als de weg omhoog begint te gaan. Van dat idee word ik rustig.
Het zien van zo veel afgetrainde en tot in de puntjes verzorgde wielrenners bij elkaar, stuk voor stuk hypernerveus en trillend van ambitie, maakt me altijd een beetje onzeker, maar tijdens de koers valt die onzekerheid snel van me af. Veel ervan blijkt schijn. Het zijn niet zelden de slechtste benen die volledig gebruind en ingebalsemd aan de start verschijnen. Ook wat het materiaal betreft zeggen merk, prijs en gewicht vaak weinig over de kwaliteiten van de berijder. Het algemene misverstand dat hierover bestaat maakt wielrennen voor veel mensen een aantrekkelijke sport.
Vandaag ben ik daar echter minder zeker van dan anders. Dit is de Marmotte. De zwaarste cyclo in Europa. Hier rijden de echte jongens. Er zijn een paar ploegen uit Italië die met eigen volgwagens meerijden. Een enkele oud-prof. En natuurlijk Bert Dekker, vermaard Nederlands eliterenner, tot op het bot afgetraind en oud-winnaar. Vorig jaar kwam hij tijdens een verkenningsrondje op de Télégraphe zo hard voorbij zeilen dat ik hem nauwelijks zag. Hij trapt onmenselijk zware verzetten en er wordt van hem gezegd dat hij de hele wedstrijd op slechts één bidonnetje rijdt.
Op de col du Glandon worden de ware verhoudingen gelukkig al snel duidelijk. Het valt me niet mee en het valt me niet tegen. Links en rechts zie ik renners die ik had ingeschat als absolute raspaardjes wegvallen, maar tegelijkertijd zie ik voor me een aantal renners, waaronder Feike, langzaam wegrijden. Gelaten constateer ik dat ik niet harder kan. Of misschien kan ik wel harder, maar als ik dat probeer loop ik het risico om over enkele kilometers langs de kant van de weg te staan, hijgend en dampend als een dolgeworden stier. Motor opgeblazen, zoals dat heet.
Ik kies mijn eigen tempo en haak aan bij een man van middelbare leeftijd in een groen Haribo-shirt. Feike heeft hem voor de start aangewezen als iemand die verschrikkelijk hard op kop kan rijden zonder zich druk te maken over het feit dat hij daarmee zijn eigen kansen om zeep helpt. Hij hangt diep in de beugels en lijkt vastbesloten om het gat met de groep voor ons te dichten. In zijn wiel komt een groep tot stand die het erover eens dat het tempo van de Haribo-man aanvaardbaar is. We komen weliswaar niet dichter bij de voorste groep, maar mogen ons er toch op verheugen de geschiedenisboeken in te gaan als de Groep-Achter-de-Kopgroep. Ik zie gezichten die ik ken van de wedstrijd in de Vogezen, ik herken in het geel een jongen die Sander heet. Zijn vriendin zal mij op de Glandon een bidon aanreiken. Ook zie ik de Brabantse jongen die ik vorig jaar kort gesproken heb. Wonderlijk, hoe op een beklimming de gelijke krachten als vanzelf gebundeld worden. Tot mijn genoegen zie ik ook een paar gezichten niet. Zoals dat van een kleine Nederlandse marathonschaatser waaraan ik me in de Vogezen doodgeërgerd heb. Hij leeft van het zuigen aan andermans achterwiel. Ook het irritante gezicht van de Franse leider van de Grande Trophée, het klassement dat opgemaakt wordt over een tiental cyclo’s, zie ik niet. Het is een talentvolle, tengere jongen van achttien die eruit ziet als veertien. In de Vogezen reed hij mij vlak voor de finish met tergend veel gemak voorbij.
Ik besluit bij deze groep te blijven en voorlopig de kat uit de boom te kijken. Op zich is het feit dat ik überhaupt iets te besluiten heb al een gunstig teken, maar dat besef ik op dat moment nog niet. We komen de col over met een achterstand van enkele minuten op de kopgroep. In de afdaling laat ik me wat naar achter zakken. De afdaling van de Glandon is behoorlijk technisch en heeft in het verleden al de nodige slachtoffers gemaakt. Na afloop zal ik te horen krijgen dat in de eerste groep Bert Dekker al op de Glandon gekozen heeft voor een solo-ontsnapping; hij is een slechte daler en wist dat hij, indien hij zonder voorsprong aan de afdaling van de Glandon zou beginnen, gelost zou worden door de roekeloze Italianen. Ik ben evenmin een goede daler, maar kom er te laat achter dat gele Sander, wiens wiel ik volg, een zo mogelijk nog grotere angsthaas is. Opeens is er voor hem een flink gat ontstaan; achter mij blijkt niemand meer te rijden.
Dit is riskant. Dit is zó riskant, dat ik Sander in een binnenbocht voorbijschiet en met doodsverachting de rest van de afdaling afleg. Bij het inrijden van … rijd ik vol over een aantal vluchtheuvels heen, waarbij er een volle bidon uit mijn nieuwe bidonhouder wipt. Voor de lezer: mijdt het Franse merk Zéfal te allen tijde. Maar in de verte zie ik de tweede groep rijden, dus de zaak is nog niet verloren. De weg is inmiddels vlak geworden en ik moet volle bak rijden om terug te komen. Een van de vele motorenrijders die de wedstrijd begeleiden vat sympathie op voor mijn noeste arbeid en blijft een paar meters voor me rijden, waardoor ik de laatste kilometer kan profiteren van de zuiging die de motor veroorzaakt. Dat is prettig als je in je eentje tegen de vijftig kilometer per uur moet rijden.
Het is noodzakelijk om snel terug te keren in de tweede groep. Na de Glandon volgt een relatief vlak stuk van 23 kilometer. Daarop kan je in een groep met minder energie een hoger tempo ontwikkelen door kop over kop te rijden. Iedereen neemt wat kopwerk voor zijn rekening en zo houd je elkaar uit de wind. Tenminste, dat is de theorie. Nederlanders, die gewend zijn op vlakke wegen in de wind te rijden, begrijpen die. Fransen en Italianen daarentegen zijn aanhangers van de stelling dat er altijd wel iemand het kopwerk voor zijn rekening neemt als je maar lang genoeg wacht. Wieltjeszuigers. Gelukkig bestaat de helft van onze groep uit Nederlanders. Door elk één werkweigeraar voor ons te houden en deze onder luide bedreigingen en verwensingen te dwingen tot een paar trappen op kop, weten we de groep toch nog aardig draaiende te houden. Een tweede geluk is dat we nog altijd de Haribo-man bij ons hebben.
Het vlakke stuk duurt voor mijn gevoel eindeloos lang. Ik zorg dat ik voldoende eet en drink, maar kan me niet onttrekken aan de indruk dat mijn benen nu al tekenen van zwakte beginnen te vertonen. Bovendien maak ik me zorgen over de verloren bidon. Driekwart liter minder. Als we beginnen aan de beklimming van de col du Télégraphe hoor ik een Nederlander zeggen: “Nu begint het echte werk!” Zijn woorden klinken vol hoop en verwachting en duiden vooral op het feit dat er na de Télégraphe vrijwel meteen begonnen dient te worden aan de col du Galibier. In totaal gaan we over 30 kilometer 2000 meter omhoog, met daartussen slechts een korte afdaling van vijf kilometer. Wie dit overleeft heeft zicht op een goede eindklassering. Zelf heb ik op het moment weinig geloof in de goede afloop.
Gele Sander, die na mij ook weer is aangesloten bij de tweede groep, lijkt in goeden doen en pakt meteen een voorsprong van een meter of twintig. Ik laat Alan Looms, een renner van het Team Veltec, het enige Nederlandse gesponsorde cyclo-team, het tempo bepalen en rijd in tweede positie. Na een tijdje hervind ik wonderlijk genoeg toch weer mijn ritme. Ik plaats zowaar een versnelling en rijd naar Sander toe. Ik herinner me dat ik de Télégraphe een fijne klim vind. Hij loopt lekker. Niet te stijl en met voldoende stukken die wat vlakker zijn, zodat je een beetje kan herstellen. Ik neem de kop over. Op kop rijden heeft een zeer gunstige uitwerking op mijn moraal. Even later verbaas ik mezelf door in een wat vlakkere bocht nog een keer te versnellen. Het heeft nog helemaal geen zin om zo vroeg in de wedstrijd in mijn eentje uit deze groep weg te rijden, maar het lijkt of niet ik maar mijn benen hier de beslissingen nemen. Alsof ze zeggen: “We kunnen er ook niks aan doen, het gaat gewoon zo lekker.”
Ik zie op een parkeerplaats een bevoorradingspost staan en besluit mijn kleine voorsprong te gebruiken om een bekertje sportdrank mee te grissen. Een deel van de anderen sluit weer aan. Mijn ontsnapping blijkt een onvoorzien voordeel te hebben. De anderen zien dat ik goed ben. De Brabantse renner heeft bij de bevoorradingspost brutaalweg een hele fles water meegegrist en biedt me de helft aan. Dat compenseert mijn verloren bidon. Ik ben zo veel kameraadschap in het wielrennen niet gewend en bedank hem uitgebreid. Als ik vraag of ik iets voor hem terug kan doen, zegt hij: “Als je me uit de wind houdt op de Galibier vind ik het best.” Dat betekent dat hij denkt dat ik dat dan nog kan. Dat geeft de burger moed.
Bovenop de Télégraphe staat, als het goed is, mijn vriendin met een bidon te wachten. Op het laatste stuk van de klim sprint ik weg, zoals een prof even uit het peloton wegspringt wanneer het parcours door zijn woonplaats leidt. Voor de show. Ik hoor van haar dat de kopgroep inmiddels een voorsprong van tien minuten heeft. Dat viel te verwachten. Daar zitten de beste klimmers en op elke klim verliezen wij – mindere goden – tijd. Het is niet anders. In de korte afdaling komt nagenoeg onze hele groep weer bij elkaar. Dan begint de beklimming van de Galibier. Van Feike zal ik later horen dat vooraan in de wedstrijd de Italianen elkaar op deze klim maar bleven bestoken met demarrages, maar onze groep is een stuk minder temperamentvol en rijdt in één tempo naar boven.

In mijn geval voltrekt zich hetzelfde proces als op de Télégraphe. Alan Looms neemt opnieuw de kop, met de zelfverzekerdheid van een ervaren patron. Na enige tijd merk ik dat het me te langzaam gaat. We rijden inmiddels bijna 2000 meter boven de zeespiegel en de koelte hier doet me goed. Ik neem de kop over. Als ik langzij komt, raadt Alan me aan de groep bij elkaar te houden. In de lange afdaling van de Galibier zullen we elkaar nog nodig hebben. Ik weet dat hij gelijk heeft, maar bespeur ook angst in zijn woorden. Als een flits schiet de gedachte door me heen dat ik één van de sterkste renners van deze groep ben, misschien wel de sterkste. Het grootste deel van de klim voer ik de groep aan. De Brabantse jongen zit in mijn wiel, uit de wind. U vraagt, wij draaien.
Achter me hoor ik gekreun en gekraak. Het doet me goed. Een even vreemd als wreed mechanisme van de menselijke geest maakt dat renners zich beter gaan voelen naarmate anderen meer sporen van vermoeidheid beginnen te vertonen. En andersom. Ik probeer mijn ademhaling regelmatig te houden en één tempo te blijven rijden. Zonder te zwalken en zonder op de pedalen te gaan staan. Want deze renner is ijdel. Trots is de brandstof waarop zijn motor loopt. Hij stelt zich voor hoe de anderen achter hem jaloers zijn op zijn vaste tred, zijn macht. Hoe de tranen hen in de ogen springen. Hoe ze moeten lossen.
In de laatste kilometers voor de top wacht me een onprettige verrassing. Hoewel de oorspronkelijke groep inmiddels flink is uitgedund, hebben er ook een aantal nieuwe renners aan weten te sluiten. Ik herken dat slinkse mannetje met zijn leiderstrui van de Grande Trophée. Hij en een handvol anderen konden het tempo op de Glandon al niet bijhouden en hebben daarna hard moeten rijden om ons bij te halen. Dat kan twee dingen betekenen. Eén. De inhaalrace heeft ze zo veel kracht gekost dat ze absoluut geen enkel gevaar meer vormen. In het gunstigste geval. Twee. Het doemscenario. Deze renners hebben hun wedstrijd beter ingedeeld dan wij en gaan op elke klim een tikje harder rijden. Als het knulletje dat veertien lijkt en een andere renner in een wit tenue in de laatste kilometers van de klim de leiding van me overnemen begin ik het laatste te vrezen. Voorlopig kom ik echter nog fatsoenlijk mee. Voorzien van nieuwe bidons rijd ik op 2645 meter hoogte de col du Galibier over. De kopgroep heeft inmiddels zeventien minuten. Ik begin aan de afdaling. Deze keer zonder risico’s te nemen. Dat wil zeggen; het risico achterop te raken door toe te geven aan de angst voor de afgrond.
De eerste paar kilometers van de afdaling zijn spectaculair steil. De aanwezigheid van overig verkeer, allemaal toeristen die deze fraaie alpenpas wel eens vanuit hun auto willen bewonderen, verhoogt de spanning tot bijwijle dramatische hoogtepunten. De kunst van het afdalen is een combinatie van blufpoker en Russische roulette; de renner die het laatst zijn remhendels aanraakt heeft gewonnen. Auto’s winnen bij voorbaat. Gelukkig gaat de afdaling al snel over op een Route National; een brede, niet erg steile weg met ruime bochten. Er waait op deze route altijd een straffe wind vanuit het dal omhoog, zodat er op de meeste stukken bijgetrapt moet worden. Het is zaak dit zo min mogelijk zelf te doen. Dat weet ik, want vorig jaar reed ik hier alleen, verdwaald tussen een aantal groepjes die streden om plaats 80 tot en met 120. Omdat ik van mening was dat ik van doen had met een stel pannenkoeken (dit woord dient uitgesproken te worden met een Brabants accent), ramde ik vol door tot aan de slotklim naar Alpe d’Huez. Halverwege de klim ging het licht finaal uit.
In de afdaling komt een groep samen met opvallend veel nieuwe gezichten. Van de groep waarin ik reed is nog een man of zes over, maar de enige die ik echt herken is de Brabantse jongen. Gele Sander, Haribo-man en Alan Looms hebben moeten passen op de Galibier. Het is onduidelijk of er zich onder de nieuwe renners ook voormalige leden uit de kopgroep bevinden. Tot mijn schrik zie ik een ongelooflijk breedgeschouderde renner in een triathlonpak, die eruit ziet of hij een kwartier gelden onder de douche vandaan is gekomen en op zijn fiets is gestapt. Ik vraag me af hoe het mogelijk is dat die met ons over de Galibier is gekomen. Als er ook nog een wat oudere renner aansluit – hij moet zeker de 55 gepasseerd zijn – met eenzelfde frisse uitstraling, sta ik helemaal perplex. Het zouden gewone toerders kunnen zijn, maar hoe komen ze dan aan hun kaderplaatjes? Hoewel ik sterk vermoed dat er fraude in het spel is, besluit ik het onderzoeken van deze onverkwikkelijke zaak vooralsnog een tijdje uit te stellen. De frisse nieuwelingen doen namelijk zonder morren hun kopwerk.
Mijn onbekendheid in deze groep heeft nog een ander voordeel; het maakt het gemakkelijker om me te drukken. Ik doe of ik een Fransman ben. Nee, ik word een Fransman. Ik houd me koest achterin de groep en doe niet meer dan een enkele trap op kop, al schelden ze me uit voor alles wat rot en lelijk is. Ik drink mijn bidons leeg, knijp de laatste smerige gelletjes mijn keelgaat in en eet mijn laatste reepjes, die in de zakken van mijn shirt zacht zijn geworden van mijn lichaamswarmte. Ik laad me op voor de laatste klim van vandaag, de 21 haarspeldbochten naar Alpe d’Huez.
Op de eerste meters van de klim balt de hele groep zich samen, zoals een gezicht rood aanloopt voor het ontploft van woede. Als eerste schiet de renner in het witte tenue weg. Of dat is wat overdreven. De weg stijgt hier met meer dan 10%, dus van wegschieten is niet echt sprake. Hij rijdt gewoon een tikkeltje sneller dan de rest en pakt een meter of tien. Dan komt de Brabantse jongen langszij. Hij wenst me succes en gaat achter de witte renner aan. Ik kijk uit mijn ooghoeken wie er nog meer komt. Toch niet weer dat kleine rotjong met zijn leiderstrui? Nee, het is een renner in het blauwe tricot van Team Scott, een Frans sponsorteam dat zich op cyclo’s richt. In de afdaling maakte hij een goede indruk op mij, en omdat het verschil in snelheid niet al te groot is besluit ik zijn wiel te houden.
Het besluit om mee te gaan is allerminst weloverwogen. We hebben nog geen twee honderd meter gereden en de klim is veertien kilometer lang. Eenieder van ons heeft nog bijna een uur van afzien van het ergste soort voor de boeg. Want, hoe moet ik het zeggen, Alpe d’Huez beklimmen is erg. Vraag het aan een willekeurige toerist die hier voor zijn plezier omhoog rijdt. Hij zou nog helemaal fris moeten zijn, maar ziet er nog vermoeider uit dan wij. Peil de groeven in zijn gezicht als hij bovenkomt. Áls hij überhaupt bovenkomt en niet toegeeft aan de verleiding zijn fiets om te keren en zich terug te laten zakken naar zijn caravan en zijn vrouw op de camping in het dal. Terug in de anonimiteit. Terug in de vergetelheid. Alpe d’Huez is nou eenmaal vreselijk, altijd, in elk jaargetijde, voor jong en oud en elke dag opnieuw. En Alpe d’Huez na 160 kilometer koers is ronduit gruwelijk. We zullen ploeteren, we zullen scheef op onze fietsen hangen, we zullen visioenen hebben van een honderdjarige slaap en van kettingzagen om onze frames in stukken te zagen. We zullen langzaam sterven.
Dat geldt voor eenieder van ons en er zal dus nog genoeg tijd komen om aan te vallen, maar het idee dat uitgerekend de Brabantse jongen, die ik al die tijd zo mooi uit de wind heb zitten houden, hier zomaar van me wegrijdt maakt dat ik meega met de Scott-renner. Die valt echter teleurstellend snel alweer stil. Nu moet ik doorzetten. Een paar minuten lijkt het of ik stilsta, alsof iedereen stilstaat. Ik doe wat ik kan, maar zowel de groep achter mij als de twee renners in de verte blijven op exact dezelfde afstand van mij rijden. Maar dan gebeurt er iets geweldigs! Iedereen begint langzamer te rijden, behalve ik. Al is het maar met een minimaal verschil in snelheid, ik voel dat ik de Brabantse jongen aan het naderen ben. Ik besluip hem, stil en traag als een jachtluipaard, met dát verschil dat ik niet harder kan dan ik nu ga. Maar dat geldt ook voor de Brabantse jongen. Hij merkt pas dat ik er ben als hij het gekraak van mijn pedalen achter zich hoort. Arme Brabantse jongen, hij gaat eraan. Hij kijkt om en overlegt nog even met zichzelf of hij zal proberen te versnellen, maar zijn benen spreken duidelijke taal; het antwoord is nee.
In feite zijn we even machteloos. We kunnen nog maar één snelheid rijden en dat is wat we doen. Alleen ligt die van mij een fractie hoger dan die van hem. Ik herinner me hoe ik op de slotklim in de Vogezen op eenzelfde manier voorbijgereden werd. Als een Spaans galjoen kwam mijn tegenstander langszij. Tergend langzaam, maar onvermijdelijk.
En dodelijk.
Even later passeer ik ook de renner in het wit. Pas een aantal haarspeldbochten later durf ik een blik over mij schouder te werpen. Niemand. Ik lig in eerste positie! Met een riante voorsprong! En al is het dan slechts van de tweede groep, dit overtreft mijn stoutste verwachtingen. Van 94ste finisher vorig jaar ben ik gepromoveerd tot Snelste-Man-achter-de-Kopgroep. Maar dan moet ik wel dit tempo weten vast te houden tot boven. Een blik op mijn teller leert me dat ik in dat geval op de slotklim een tijd zal rijden die mijn persoonlijk record (in frisse toestand) benadert. Dat is haast niet mogelijk.
En dat is het inderdaad niet. Aan de motivatie kan het niet liggen, want ik ben vastbesloten om mijn nieuw verworven status tot het uiterste te verdedigen, maar het lijkt wel of het om me heen steeds heter te wordt. Het lijkt alsof de klim elke kilometer een beetje steiler wordt. En of mijn achterwiel een beetje aanloopt, of het asfalt eronder gesmolten is, of de band leegloopt.
In feite loop ik zelf langzaam leeg. De hoeveelheid energie die een lichaam nodig heeft om de Marmotte te rijden is immens. Zo veel energie past helemaal niet in één lichaam. Ik heb mezelf leeggegeten. Mijn lijf steeds verder uitgehold. Wat er nu nog op mijn fiets zit is slechts mijn omhulsel, een buitenkant waar niets meer inzit. En dat omhulsel wil nog maar één ding. Afstappen. In de berm gaan liggen en leeglopen als een luchtbed.
Maar het mag niet. Van wie niet? Van mij. De eigenaar van het omhulsel. Afstappen is verliezen. Het omhulsel moet naar de top van deze berg en mag dan pas in elkaar zakken, zelfs als het daarvoor een onredelijk hoge de prijs betaalt. Tegen wil en dank sleept het zich voort tot eindelijk in het lelijke skidorp is. Nog drie bochten en de finish komt in zicht. Maar wat is dat? Een groen met witte schim komt me voorbij. Jezus, wat gaat die hard! In de gauwigheid valt het me op dat hij zelfs naar het buitenblad geschakeld heeft en vol doortrapt. Is zeker bang dat ik nog aanklamp. Dat wil ik wel, en kijk, mijn benen geven ook nog wel een paar ferme trappen, maar dat kunnen ze helemaal niet meer. Is eigenlijk ook niet interessant. Liggen, daar gaat het om. Eén-na-Snelste-Man-achter-de-Kopgroep is ook zo gek nog niet. Zie, daar ga ik al over de finish. En nu afstappen. Langzaam, langzaam. Kramp in beide benen, licht in mijn hoofd. Drinken, drinken moet ik. En liggen. Voorgoed liggen.
Een half uur later lukt het me om wat voedsel tot me te nemen. De organisatie heeft een driegangen maaltijd voor ons bereid op plastic bordjes. Ik begin met de appelmoes. Ik stel me voor hoe er weer een beetje kleur in mijn gezicht trekt, dat echter wit blijft zien van de opgedroogde zoutresten. Ik maak een praatje met Feike, die zesde geworden is en al een minuut of twintig binnen is. Snelste Nederlander, maar kapot gedemarreerd door de Italianen. Hij zegt dat ik wel blij zal zijn. Ik vraag waarom. Omdat ik zestiende geworden ben. Ik heb dus toch nog een aantal mannen van de kopgroep ingehaald! En die frisse gasten in de afdaling van de Galibier blijken deelnemers te zijn geweest van een nieuw evenement: de Marmotte in twee dagen. Ja, zo kan ik het ook.
Uit de gegevens die mijn fietscomputer heeft opgeslagen blijkt dat ik er in totaal 6 uur 34 over gedaan heb. 24 minuten sneller dan vorig jaar. Alpe d’Huez in 56 minuten. Dat is ongeveer acht minuten langzamer dan mijn persoonlijk record, maar veertien minuten sneller dan in de Marmotte van vorig jaar. Zonder Italiaanse demarrages weliswaar, maar toch een heel waardige finale. De holheid is inmiddels uit mijn lichaam verdwenen en daar komt ook mijn vriendin aangelopen. Trots. En hartstikke zwanger. Ik ben ondertussen al aan het rekenen geslagen. Zou ik volgend jaar de kopgroep bij kunnen houden?
Bas Canoy
24 juli 2007